Maak kennis met… Hanneke van Asperen

‘Kunsthistoricus word je niet om er geld mee te verdienen’, zoiets zei docent Kunstgeschiedenis Harry Tummers tegen me toen ik voor de eerste keer kwam kijken in Nijmegen op een voorlichtingsdag van de Radboud Universiteit. Een docent op de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg had me enthousiast gemaakt voor het vak dat voorheen niet eens op mijn radar stond. Ondanks de nog een aantal keer herhaalde waarschuwing ben ik Kunstgeschiedenis gaan studeren en heb daar nooit een seconde spijt van gehad.

Sommige van mijn nieuwe collega’s bij Nederlands zullen mijn gezicht misschien herkennen. Voordat ik bij Nederlands begon, zat ik op de afdeling Kunstgeschiedenis enkele verdiepingen hoger. Behalve naar de mogelijkheid om eens onderdeel uit te maken van een andere afdeling, kijk ik uit naar de deelname aan een grotere onderzoeksgroep. Binnen het project van Lotte Jensen, Dealing with Disasters – ja, ook ik – zal ik mij als kunsthistoricus gaan bezighouden met de visuele verbeelding van (natuur)rampen vanaf de late Middeleeuwen. Wat wordt afgebeeld, en vooral hoe en in welke context(en)? En wat zegt dit over de omgang met en de reacties op rampen?

Na mijn studie Kunstgeschiedenis heb ik me gespecialiseerd in de periode rond 1500. Tijdens mijn promotie-onderzoek heb ik gekeken naar bedevaartssouvenirs en religieuze handschriften. Deze kleine, goedkope voorwerpen, en vooral de sporen ervan in de boeken die leken gebruikten bij hun gebeden, waren het uitgangspunt voor een studie naar toepassing van souvenirs na afloop van de bedevaart. De gebruikssporen waren bovendien een interessante invalshoek om te kijken naar het gebruik van religieuze boeken door leken. De verdediging is inmiddels bijna tien jaar geleden, maar een onderzoek waar je je zo lang zo intensief mee hebt beziggehouden, laat je nooit helemaal los. Recent schreef ik een essay over pelgrimsinsignes in boeken voor de catalogus van Magische Miniaturen, een tentoonstelling die tot 3 juni 2018 in Museum Catharijneconvent te zien is.

Na mijn promotie was ik postdoc op de afdeling Culture Studies in Tilburg waar ik me bezighield met voorstellingen van caritas. Het postdoc-onderzoek naar liefde en liefdadigheid van de late middeleeuwen tot de negentiende eeuw gaf me de kans om weer met een brede blik naar de (kunst)geschiedenis te kijken. Dat was eerst intimiderend, maar bleek al snel bevrijdend. Mijn aanstelling binnen het project Dealing with Disasters zie ik als een prachtige mogelijkheid om mijn onderzoek naar liefde en liefdadigheid een nieuwe wending te geven; rampen en liefdadigheid zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Behalve aan onderzoek besteed ik veel tijd aan mijn kinderen, een meisje van 10 en twee jongens van 5 en 8. Weekenden en vrije middagen zijn gauw gevuld met voetbaltrainingen, zwem- en muzieklessen, met brengen en ophalen, maar ook met spelletjes en kleine gesprekken. Kinderen kunnen soms verrassend uit de hoek komen. Klassiek is de opmerking van mijn toen drie-jarige zoontje die tijdens een hagelbui opmerkte: ‘Mama, het regent hard.’ Het duurde even voordat ik doorhad dat hij gelijk had. Mijn schaarse lege uurtjes vul ik graag met sportlessen op het universitair sportcentrum. De fysieke inspanning is heerlijk als afwisseling, vooral als onderbreking wanneer ik een hele dag achter de computer zit. Mocht de deur van mijn werkkamer gesloten zijn, is er een grote kans dat ik even op de spinning-fiets zit.