Literatuuronderwijs: van Reize door het Aapenland tot YouTube-vloggers

Aukje van Hout is docente Nederlands bij het Dominicus College in Nijmegen en promoveert via een lerarenpromotiebeurs van NWO bij de afdeling Nederlandse taal en cultuur. Ze doet onderzoek naar het realistische proza van Johan de Meester (1860-1931) en verwante schrijvers uit de periode 1890-1920.
Hieronder doet ze verslag van haar ervaringen als docent.
‘Mevrouw, kent u het liedje van Famke Louise?’ vraagt een leerling. ‘Nee’, antwoord ik, ‘ik weet niet eens wie Famke Louise is’. De klas begint te lachen. ‘Ként u haar niet?! Dat kán niet!’ roept mijn derde klas verontwaardigd. Ze staat al twee weken in de top 10, duh… In razend tempo word ik bijgepraat: ze is een ‘superbekende’ vlogster, de vriendin van vlogger Snapking (wie?) en heeft een liedje gemaakt dat ‘Op me monnie’ heet. (Ondertussen vraag ik me af wanneer het precies misging: ‘vroeger’ kreeg ik dit soort dingen toch nog mee? Ik vind het eigenlijk al heel wat dat ik weet wie Enzo Knol is…).

 

Thuis gekomen besluit ik dat liedje van Famke Louise maar eens te beluisteren op Youtube. De clip is in twee weken tijd al meer dan zes miljoen keer bekeken. Op mijn scherm steekt een jong meisje, halfnaakt maar met bontjas en gouden kettingen, haar middelvingers op naar de camera en via de autotune zingt ze: ‘Ik ben op me monnie, waar is het de way, maar m’n sannie is verraderlijk’ – ik moet nog even aan mijn leerlingen vragen wat dat precies betekent. Al surfend op Youtube kom ik tal van parodieën op het nummer tegen, zoals het meisje dat in een manege ‘Op me ponnie’ zingt. Daar moet ik toch wel om lachen. Ik begrijp opeens waarom leerlingen het altijd zo ‘druk’ hebben… De wereld van Youtube-vloggers lijkt eindeloos.

De volgende ochtend, half negen. Ik heb 32 zuur kijkende pubers voor me. Aan mij de taak om 4 havo lastig te vallen met Reize door het Aapenland (1788) van J.A. Schasz. Voor wie de betreffende tekst niet kent: een ik-figuur ontvlucht zijn land, nadat hij per ongeluk zijn vrouw, dienstmeisje, paard en hond heeft laten verdrinken. Na een flinke omzwerving belandt hij in het Aapenland, waar hij terechtkomt in een hevige politieke strijd tussen twee partijen. Die strijd betreft de beste manier om mens te worden: door je als mens te gedragen of door het uiterlijk aan te passen en de staart af te hakken. Het laatste plan krijgt de meeste stemmen. De afloop laat zich raden.

Ter voorbereiding op deze les hebben de leerlingen een fragment uit het verhaal gelezen: het einde, waarin het afhakken der staarten culmineert in een groot bloedbad en de apen op gruwelijke wijze sterven. ‘Wat een stom verhaal, mevrouw’, laat een leerling me weten, ‘waar sláát dit op?’. Ik hoop mijn klas dat uit te kunnen leggen. De details van de politieke achtergrond laten we – hoe interessant ook – in havo 4 achterwege, maar we hebben het wel over satire. ‘Weet iemand wat dat is?’ vraag ik hoopvol. De klas staart me apathisch aan – moét dit, zo vroeg op de ochtend? ‘Kijkt er iemand naar Arjen Lubach?’ probeer ik voorzichtig. Een aantal leerlingen begint driftig te knikken. Ja, dat wel, mevrouw.

Langzaam ontstaat er een gesprek waarin naar de betekenis van satire wordt gezocht. Het is ‘iets met humor’ en ‘gaat over het nieuws’, over ‘problemen’. ‘De actualiteit’, vult iemand aan. Kijk, nu komen we ergens. Ik geef de leerlingen een aantekening over satire en de middelen die daarbij kunnen worden ingezet: ironie, karikatuur, parodie… ‘Wat is dat?’ vraagt een leerling. Het blijkt dat eigenlijk niemand in de klas precies weet wat een parodie is. Ik probeer mijn uitleg te verduidelijken met een aansprekend voorbeeld, iets wat ze kennen, maar kan zo snel niets bedenken. De aandacht verslapt, er wordt uit het raam gestaard of in een schrift getekend. Maar dan schiet plotseling ‘Op me ponnie’ door mijn hoofd. Triomfantelijk zeg ik: ‘Jullie kennen dat liedje van Famke Louise toch wel?’ Direct heb ik alle aandacht terug… ‘Kent ú dat, mevrouw?!’

Aukje van Hout