Een Nijmeegse aio in Esztergom: Impressie van de IRUN Graduate Conference (28-31 Augustus 2013)

DSC_0282

door Marieke Winkler

Twaalf Radboudpromovendi uit de geesteswetenschappelijke en sociologische hoek stapten op woensdagavond 28 augustus in Boedapest op de bus naar Esztergom, een kleine plaats ongeveer 50 kilometer ten noorden van de Hongaarse hoofdstad. Esztergom. De organisatie van de Graduate Student’s Conference had een filmpje van de omgeving (‘Esztergom Final Cut’) doorgestuurd om ons een indruk te geven van waar de bus ons zou droppen.

Esztergom is de thuisbasis van de Peter Pasmany Katholic University, één van de negen universiteiten die aangesloten zijn bij IRUN: het International Research Universities Network. De Radboud is initiatiefnemer van dit netwerk dat tot doel heeft het contact tussen onderzoekers uit verschillende Europese landen te stimuleren. Op het congres werd ruimschoots aan dat doel voldaan, want naast presentaties van promovendi uit Hongarije en Nederland waren er aio’s uit Duitsland, Frankrijk, Italië, Oekraïne, Polen en Slowakije aanwezig om over hun onderzoek te vertellen.

Het leverde drie volle dagen op met veel verschillende lezingen die niet alleen inhoudelijk een grote diversiteit lieten zien –van pestgedrag bij basisschoolkinderen tot de rol van Mary Sue’s in fanfiction, van de normatieve wending in de politieke wetenschappen tot het gebruik van kleur in een Hongaarse adaptatie van Othello– maar die ook methodologisch flink uiteenliepen. Van eyetracking tot close-reading, van die hard veldonderzoek tot meta-theorie, van enquêteren tot historisch bronnenonderzoek en ja, er waren ook enkele lezingen waarbij je je afvroeg of de spreker wel een methode had toegepast.  

Wat Esztergom anders maakte dan de meeste congressen die ik bezocht, was de aandacht voor de theologie. Zo verbaasde ik mij in eerste instantie over een lezing van een Slowaakse priester die onderzocht waarom een televisieuitzending waarin de kernboodschap (Kerygma) van het Christendom expliciet werd uitgedragen niet tot bekeringen bij de kijkers leidde. Wetenschap werd in deze lezing (en was daarin niet de enige) in dienst gesteld van de religie: in hoeverre hebben we dan, vroeg ik mij af, nog met wetenschap te maken? De discussie die volgde maakte echter duidelijk dat spreker en toehoorders weliswaar vanuit verschillende ideologieën redeneerden, maar dat iedereen even gedreven was het gedrag van de (gemediatiseerde) mens te doorgronden.

Bij het luisteren naar de presentaties werd ik me niet alleen bewust van het feit dat je als aio onderdeel uitmaakt van een internationale, wetenschappelijke gemeenschap (zoals Albert Verwey het in 1937 mooi zei: als wetenschappers streef je naar ‘dit ene: vrijheid van denken en spreken, binnen de grenzen van het gemeen overleg, en ongehinderd door nationalistische vooroordelen.’). Het dwong ook tot reflectie op de vraag hoe je jouw nationale vakspecialisatie interessant maakt voor onderzoekers uit verschillende disciplines. Misschien is het wel de beste test voor de letterkundige: wat maakt mijn onderzoek de moeite waard voor mijn collega uit de sociologische psychologie of politieke wetenschap, of –zo je wilt– voor de Slowaakse priester?

P1000606