Een gastlezing in Leuven, oftewel: Het belang van het Oosten

Door Paul Hulsenboom

“Zoals altijd waren daar mensen die bijzonder bekwaam waren in alle wetenschapsgebieden. Er was daar een groot aantal professoren, bachelors, masters en doctoren, alsook studenten uit verschillende landen.”

Afgelopen week was ik in Leuven, om daar aan de universiteit een gastlezing te geven. Bovenstaand citaat gaat over die universiteit en zou zomaar uit mijn dagboek kunnen komen, als ik een dagboek had, want het is zeer toepasselijk. Toch is het geen recent citaat, eerder het tegenovergestelde: het zijn de woorden van Jakub Sobieski (spreek uit Jakoeb Sobjeskie), een Poolse edelman, die Leuven in 1609 bezocht en zijn bezoek zo’n 35 jaar later beschreef als reisinstructie voor zijn zonen, Marek en Jan (de latere koning van Polen, overigens), die eenzelfde tour door Europa ondernamen als hun vader. Jakubs reisverslag is een van de talrijke bronnen die getuigen van de populariteit van Leuven en andere ‘Nederlandse’ universiteiten, zoals Leiden en Groningen, onder Poolse edellieden in de eerste helft van de 17de eeuw.

Op uitnodiging van Prof. Kris Van Heuckelom, docent bij de opleiding Slavistiek en expert op het gebied van de Poolse taal en cultuur, reisde ook ik nu af naar Leuven (toegegeven, een dergelijke reis heeft in 2018 minder om het lijf dan in 1609, om maar te zwijgen van het feit dat ik niet uit Polen, maar uit Nederland kwam, maar de vergelijking met Sobieski dringt zich hoe dan ook op). In de Justus Lipsiuszaal (vernoemd naar de beroemde 16de-geleerde die onder meer vele Poolse studenten aantrok en bijzonder populair was in Polen) sprak ik een vijftiental studenten Slavistiek toe over mijn promotieonderzoek: om te beginnen een theoretisch en methodologisch gedeelte over wat ik doe, waarom ik dat doe en hoe ik dat doe, en na de pauze een presentatie van mijn voorlopige resultaten. Zo vertelde ik in het eerste gedeelte over het belang van onderzoek naar (nationale) stereotypen, het ontstaan van concepten als West- en Oost-Europa en de uitdagingen van mijn onderzoek, zoals het ontcijferen van 17de-eeuwse handschriften. Om de studenten van dit laatste een idee te geven, liet ik hen een Nederlands reisverslag uit 1635 bestuderen, geschreven naar aanleiding van een diplomatieke missie naar Polen. Hoewel het een behoorlijk lastig fragment betrof, konden de studenten er na een paar minuten al aardig mee uit de voeten: ze lazen bijvoorbeeld dat Joan Huydecoper, de auteur, onder de indruk was van de Poolse stad Toruń en dat hij een “japonse cottinch” had geschonken aan een Litouwse edelman, “om dat hij er sin in had”. Na bijna 400 jaar kwam Huydecopers tekst zodoende weer tot leven en konden de studenten proeven van wat mij betreft een van de spannendste en mooiste aspecten van mijn werk.

Mijn lezing had als hoofdtitel: “Quid enim in Belgio incultum?”, oftwel: “Wat is er immers onbeschaafd in België?” Het is een zinnetje uit een 17de-eeuws Latijns reisverslag van een Pool die de Nederlanden bezocht.

Vervolgens ging ik in op de eerste resultaten van mijn onderzoek: hoe het kwam dat de Nederlandse Republiek gedurende de 17de eeuw in Polen bekendstond als een militaire grootmacht en koploper op het gebied van militaire ontwikkelingen, dat Maurits van Oranje een populair figuur was onder de Polen, dat tal van Polen afreisden naar de Nederlandse “oorlogsschool” en hoe het bezoek van de Poolse kroonprins Ladislas aan het Beleg van Breda in 1624 in de Poolse literatuur haast legendarische proporties kreeg. Maar ook over het feit dat de Opstand van de Nederlanders alleen bestond bij de gratie van de handel die de Republiek dreef met Polen, dat de Nederlanders immers voorzag van noodzakelijke goederen als graan en hout. Hierdoor werd Polen in Nederland al snel gezien als een rijk en vruchtbaar land, en als de “graanschuur van de Republiek” (overigens was dat ook de reden voor de diplomatieke missie uit 1635, toen spanningen tussen Polen en Zweden de Nederlandse handel op de Baltische Zee verstoorden, iets wat in die tijd wel vaker voorkwam). Twee uur lang waren de studenten aandachtig aan het luisteren en maakten ze uitgebreide aantekeningen, want mijn lezing was onderdeel van een vak over de Poolse cultuurgeschiedenis en behoorde daarom tot hun tentamenstof.

Prof. Kris Van Heuckelom in zijn werkkamer, met het icoon van
de Poolse Matka Boska Częstochowska (Moeder Gods van
Częstochowa), dat vroeger bij zijn ouders thuis hing en bij
Kris een passie voor het Pools teweegbracht.

Helaas is de studie Slavistiek in Leuven, zoals men dat noemt, aan het “uitdoven”. Afgelopen jaar besloot het Gemeenschappelijk Bureau (oftewel het College van Bestuur) van de universiteit dat de huidige generatie studenten de laatste zal zijn, omdat er niet voldoende interesse voor de studie zou bestaan. Dat is echter niet wat ik heb gezien, integendeel. Bovendien betekent het afschaffen van de opleiding dat er binnenkort nergens meer in België een brede universitaire opleiding Slavistiek kan worden gevolgd (in Gent bestaat weliswaar een studie Slavistiek, maar daar ligt de focus geheel op Rusland en de Balkan; voor Nederland is het niet veel beter: alleen in Amsterdam is er nog een brede studie Slavistiek, in Leiden bestaat daarnaast de opleiding Russische studies). Vrijwel nergens in het Nederlandse taalgebied kunnen studenten straks dus nog leren over de Poolse, Russische en overige Oost-Europese talen en culturen, en dat terwijl de spanningen tussen West en Oost binnen de Europese Unie toenemen en de Koude Oorlog haast terug van weggeweest lijkt. Wie heel Europa wil kennen en begrijpen, kan zich niet alleen beperken tot de vertrouwde Westerse helft, maar moet ook aandacht schenken aan al het moois en fascinerends dat het Oosten te bieden heeft, en vooral ook aan de gedeelde geschiedenis en cultuur van zowel West als Oost. Wij bepalen uiteindelijk immers zelf hoe we Europa willen zien: als een rijke en gevarieerde eenheid (zoals onder andere de Leuvense hoogleraar Nicolaus Vernulaeus er in de 17de eeuw over dacht) of als een continent dat in wezen nog altijd wordt verdeeld door het spook van het IJzeren Gordijn.

Mede daarom vind ik mijn onderzoek naar de ontwikkeling van de Pools-Nederlandse wederzijdse beeldvorming niet alleen uiterst interessant, maar ook van buitengewoon belang, en ben ik bovendien erg blij dat ik heb kunnen spreken tot de studenten in Leuven. Het is cruciaal dat er ook hier in de Lage Landen, die al sinds jaar en dag intensieve contacten onderhouden met Oost-Europa, mensen zijn die kennis hebben van de talen en culturen van die gebieden, en die weten hoe verweven het Oosten en het Westen eigenlijk zijn.

De Krakenstraat in het oude centrum van Leuven. De straatnaam getuigt van de koopmansfamilie uit Krakau die zich hier in de 13de eeuw vestigde.

“Ik hoop dat ik jullie heb kunnen laten zien hoe fascinerend, belangrijk en simpelweg leuk dit soort onderzoek kan zijn,” zei ik tot afsluiting van mijn lezing tegen de studenten. Als antwoord kreeg ik een aantal glimlachende gezichten en instemmende knikjes te zien. Niet veel later wandelde ik met mijn gastheer, die tegenwoordig werkt op de afdeling Culturele Studies, door het mooie Leuven, toen hij mij wees op een intrigerend straatnaambord in het oude centrum: “De Krakenstraat, zo genoemd omdat een koopmansfamilie uit Krakau in de 13de eeuw hiernaartoe verhuisde”. Nog ver vóór Jakub Sobieski zaten er dus al Polen in Leuven. Need I say more?