Een bijdrage aan de Poolse literatuur in de Nederlanden

oftewel

Over het vertalen van Bruno Schulz’ Brieven

 

Momenteel neem ik deel aan een conferentie in Norwich, waar ik gesproken heb over de verschillende Nederlandse denkbeelden over Polen in de vroege 17e eeuw, maar afgelopen weekend was ik op een congres in Krakau. De laatste tijd ben ik regelmatig in Polen te vinden in verband met mijn onderzoek, maar dit keer had mijn aanwezigheid in mijn tweede vaderland – hoewel ik dus op een congres was – niets met mijn werk aan de universiteit te maken. Nee, ik bezocht de zogenaamde IV Światowy Kongres Tłumaczy Literatury Polskiej, oftewel Het Vierde Internationale Congres van Vertalers van de Poolse Literatuur. Honderden vertalers uit de hele wereld woonden lezingen en panels bij over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals ‘Moderne Poolse literatuur in het theater’, ‘Poolse stripboeken’, ‘Het vertalen van egodocumenten’, ‘Poolse jeugdboeken’ en ‘Op het grensvlak tussen muziek en literatuur’. Daarnaast werden we in het paleis van de burgemeester van Krakau getrakteerd op een heerlijke maaltijd en konden we deelnemen aan mooie stadswandelingen, en dat alles geheel op kosten van het congres, dat zelfs betaalde voor de vliegtickets en de overnachtingen in een keur aan luxe hotels, waaronder het plaatselijke Hilton. Leve de vertaalde literatuur!

Om echter uit te leggen hoe ik op dat congres terecht ben gekomen, moet ik twee jaar terug in de tijd. Destijds hoorde ik van een bevriende professor uit Poznań over een vertaalwedstrijd Pools-Nederlands, die sinds enkele jaren wordt georganiseerd door de Stichting Literatura (die zich inzet voor de promotie van Poolse literatuur in de Lage Landen en vice versa) en de Poolse Ambassade in Den Haag. De kandidaten moesten een stuk vertalen uit het boek Ciemno, prawie noc (Donker, bijna nacht), van de hedendaagse schrijfster Joanna Bator. Het interview dat ik gaf toen ik begin 2016 de eerste prijs had gewonnen, is hier te lezen.

Misschien wel het belangrijkste gevolg van mijn succesvolle deelname aan de vertaalwedstrijd, was het feit dat ik door een van de juryleden, de Leuvense slavist Kris Van Heuckelom, gevraagd werd mee te doen aan een vertaalproject rond de brieven van de Pools-joodse schrijver en beeldend kunstenaar Bruno Schulz (1892-1942). Schulz staat internationaal vooral bekend om zijn ook in het Nederlands verschenen Sklepy cynamonowe (De Kaneelwinkels) en Sanatorium pod Klepsydrą (Sanatorium Clepsydra) (beide heruitgegeven door Meulenhoff in 2015), waarin hij laat zien dat hij over een bijzonder fraaie, poëtische schrijfstijl beschikte. Samen met negen andere, zowel Nederlandse als Vlaamse collega’s, zette ik me vorig jaar daarom aan het vertalen van een gedeelte van Schulz’ correspondentie, gericht aan zijn laatste vlam: de eveneens Pools-joodse schilderes Anna Płockier (1915-1941). De veelal ontroerende brieven bleken een uitdaging, maar ook een plezier om te vertalen. Schulz was een man met vele complexen, een man die worstelde met zichzelf en de wereld, maar in Płockier vond hij een zielsverwant, met wie hij zijn diepste gedachten, ideeën en problemen deelde. Zijn correspondentie aan de 23 jaar jongere Płockier, die een relatie had met een ander, zit vol impliciet en minder impliciet uitgesproken verlangen, maar ook vol prachtige poëtische passages en haast filosofische verhandelingen over kunst en literatuur. Hieronder een kort voorbeeld:

Beste mevrouw Ania,

Ik ben nog altijd in de ban van uw bekoorlijke metamorfosen. Ik denk dat ze om die reden zo ontroerend zijn, omdat ze zo onafhankelijk zijn van uw wil, zo automatisch en onbewust. Het is alsof iemand heimelijk een ander naar voren schuift, u vervangt, en alsof u die nieuwe persoon aanvaardt en als uzelf beschouwt en uw rol verder speelt op een nieuw instrument, niet wetend dat een ander zich reeds op het podium beweegt. Natuurlijk overdrijf ik de zaak en rek ik haar uit tot een paradox. Ziet u mij alstublieft niet als naïef. Ik weet dat het niet geheel instinctief gebeurt, maar u bent   zich er niet van bewust hoeveel werking daarin zit van diepere krachten, hoeveel van een zeker metafysisch marionettenspel. Bovendien bent u ongehoord reactief, vormt u zich onmiddellijk tot een completerende gedaante, een schitterend accompagnement…

Een foto uit 1938, met uiterst links Bruno Schulz en uiterst rechts Anna Płockier.

Een aantal weken geleden vond in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam de presentatie plaats van Bruno Schulz’ Brieven, uitgegeven in de serie Slavische Cahiers van uitgeverij Pegasus. Ik vertelde er over de wijze waarop een vertaler kennismaakt met een auteur, als ook over de uitdagingen waarvoor Schulz’ persoonlijke correspondentie mij geplaatst heeft.

Tijdens de presentatie in Amsterdam met v.l.n.r. Kris Van Heuckelom (redacteur en vertaler), ondergetekende en André Roosen (redacteur).

De brieven van Schulz aan Płockier dateren van 10 juli 1940 tot 19 november 1941. Toen Płockier op het punt stond naar Warschau te verhuizen – de twee woonden in respectievelijk Drohobycz en Borysław, twee stadjes in de buurt van het tegenwoordig in de Oekraïne gelegen Lviv – schreef Schulz haar een afscheidsbrief, waarin hij echter nog altijd blijk van hoop gaf: “Ik zou willen dat ons nauwe contact niet eindigt vanwege uw vertrek, dat wij vaak en op een wezenlijke wijze met elkaar blijven communiceren. (…) Mijn voorgevoel zegt me dat wij elkaar spoedig nog zullen zien en dat de geschiedenis van onze vriendschap niet ten einde is”.

Płockier zou nooit meer antwoorden. Kort nadat Schulz haar deze brief had gestuurd, werd ze vermoord door een met de Duitsers collaborerende Oekraïense militie. Een jaar later werd Schulz zelf vermoord. Des te tragischer, maar tevens des te mooier misschien, is de postscriptumboodschap die hij aan de laatste brief aan Płockier toevoegde:

Hoe droevig is het te bedenken dat op de Mazepastraat 30, waar ik zoveel moois heb meegemaakt, niemand meer zal zijn, dat dat alles nog slechts een legende is. Ik weet niet waarom, ik voel me schuldig tegenover mezelf, alsof ik door mijn eigen schuld iets verloren ben.

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat ik mijn aanwezigheid op het vertaalcongres in Krakau aan Schulz te danken heb. Want hoewel het niet zijn bedoeling was, heeft Schulz mij en de andere vertalers een schitterende vertaalervaring gegeven, die bekroond is met de eerste Nederlandse uitgave van zijn brieven en die ik heb mogen vieren op het vertaalcongres in Krakau. Hopelijk is de leeservaring van de vertaling eveneens de moeite waard!

Paul Hulsenboom