De week van…Ivo Nieuwenhuis

Ivo Nieuwenhuis werkt als docent-onderzoeker aan de afdeling Nederlandse Taal en Cultuur, waar hij letterkundevakken geeft. Daarnaast schrijft hij cabaretrecensies voor Theaterkrant.

Maandag 29 januari

Rond tien voor acht in de ochtend sta ik met mijn Volkskrant in de aanslag klaar om op de trein te stappen. Ik woon al sinds mijn studententijd met veel plezier in Utrecht. Helaas heb ik de afgelopen jaren niet het voorrecht gehad ook te werken in die stad. Zodoende ben ik een geroutineerde forens geworden. Tot afgelopen zomer ging de vaste dienstreis naar Groningen. Tegenwoordig is de bestemming Nijmegen. Het lezen van de krant is een dagelijks ritueel, waar de rit Utrecht-Nijmegen zich goed voor leent. Tegen de tijd dat de Waalbrug in zicht komt, ben ik meestal zo’n beetje bij de kunstpagina’s aanbeland en pik ik nog snel even mijn favoriete cartoonist Gummbah mee.

Vandaag ontvang ik rond dat tijdstip een sms van mijn goede vriend D. Of ik vanavond misschien met hem mee wil naar een cabaretvoorstelling. Hij recenseert voor NRC Handelsblad en mag vaak gratis iemand meenemen. Zelf schrijf ik ook cabaretrecensies, voor Theaterkrant, maar deze voorstelling, van Van der Laan en Woe, zal door een van mijn collega’s besproken worden. Het is dus een onverwachtse verrassing dat ik ‘m toch ga zien.

Om half tien ben ik op mijn post op de zesde verdieping van het Erasmusgebouw. Ik groet wat collega’s en ga dan aan de slag met het nakijken van nota’s voor het onderdeel Literaire Theorie, oftewel: LT, van de cursus Middeleeuwen. Tegen de tijd dat ik daarmee klaar ben, is het alweer lunchtijd – de tijd gaat toch altijd weer sneller dan je denkt, zeker als er zo af en toe nog een mailtje tussendoor komt.

Het is druk in de kantine, maar gelukkig weten we met een aantal collega’s toch nog een plaatsje te bemachtigen. Ik waardeer de actieve lunchcultuur die onder de Nijmeegse staf heerst. Altijd goed om even weg te zijn van achter je pc en gezellig wat te keuvelen met Lettica, Jos M. of Margit.

De middag besteed ik aan de voorbereidingen voor de cursus Gouden Eeuw, die volgende week van start gaat. Ik verzorg daarbinnen zowel alle LG-(Literatuurgeschiedenis) als een deel van de LT- en de LA-(Literaire Analyse)colleges. Nu stort ik me op het eerste hoorcollege, dat onder meer zal gaan over de herkomst van het begrip ‘Gouden Eeuw’.

Tussendoor komt collega Johan nog even langs. We kletsen wat over de aanstaande herstructurering van het onderwijs op de faculteit. We zullen daarover morgen een gezamenlijk overleg hebben met de hele staf, omdat er momenteel nog veel onduidelijk is.

Door de regen fiets ik rond 17.00 uur terug naar het station. Ik word om 18.30 uur verwacht bij vriend D. en zijn vriendin, om gezamenlijk een hapje te eten voor we naar de cabaretvoorstelling gaan. Die vindt plaats in de Utrechtse Stadsschouwburg, wat wel zo praktisch is. Helaas valt de voorstelling zelf wat tegen: veel flauwe grappen en een weinig spannende inhoud. D. geeft ‘m twee ballen. Ik kan me goed in zijn oordeel vinden.

 

Dinsdag 30 januari

Vandaag haal ik mijn trein in de ochtend maar net. Had het toch iets te krap gepland.

Om 10.00 uur heb ik een overleg met enkele collega’s over een vak in de Research Master dat ik in periode 4 ga geven. Het is een cursus die voorheen voor de richtingen literatuur, geschiedenis en kunst apart werd gegeven, maar waarbij we nu verregaand zullen samenwerken. We weten in grote lijnen vast te leggen hoe we dat gaan doen. De details gaan we in de komende weken nader invullen.

Ik werk hierna verder aan mijn hoorcollege voor de Gouden Eeuw-cursus. Ook plaats ik nog een bericht op de website van de Werkgroep 18e Eeuw. Ik zit in het bestuur van die club, als secretaris. Dat is een functie waar ongemerkt veel tijd in gaat zitten, juist door dit soort kleine klussen: even een bericht plaatsen, even iemand mailen om iets te vragen of af te stemmen.

Om half vier vindt het al genoemde afdelingsoverleg over de herstructurering van het onderwijs plaats. We praten onder meer over vakken die we nu nog in de minor aanbieden, en die dus waarschijnlijk zullen verdwijnen in de nieuwe situatie (volgens de planning per studiejaar 2019-2020). Welke daarvan willen we sowieso behouden? Zijn er misschien ook mogelijkheden om de inhoud van dergelijke vakken te verwerken in bestaande cursussen uit het majorprogramma? Het is een levendige discussie, waarbij opleidingscoördinator Jos M. met verve optreedt als moderator.

Ik moet het overleg voortijdig verlaten, om snel weer op de trein te springen. In de avond heb ik afgesproken met twee onderzoekers met wie ik komende zomer een panel ga verzorgen op het congres van de International Society for Humor Studies in Tallinn (Estland). Eén van hen woont in Amsterdam en we combineren het overleg met een lekkere maaltijd bij haar thuis. Het is een vruchtbaar overleg, waarbij we er al discussiërend achter komen wat de verschillende invalshoeken zijn die we in het panel naar voren willen brengen. Het panel zal gaan over de politieke implicaties van humor, die ons alle drie erg interesseren.

Na het overleg moet ik natuurlijk weer naar Utrecht reizen. Ik ben uiteindelijk pas om half een thuis en duik snel mijn bed in.

 

Woensdag 31 januari

Op woensdag werk ik meestal thuis. Zo ook vandaag. Aangezien ik niet echt een ochtendmens ben, betekent dat vaak dat ik dan wat trager op gang kom dan wanneer ik een trein moet halen.

Maar vandaag heb ik wel een andere stok achter de deur: ik heb afgesproken rond negen uur tentamens op te halen bij een collega van de Hogeschool van Amsterdam, waar ik het afgelopen half jaar ook werkte. Hij woont in Utrecht en heeft de tentamens gisteren voor me meegenomen van de HvA, zodat ik er niet speciaal voor hoefde te komen. We drinken samen een kopje koffie en kletsen wat over werk- en niet-werkgerelateerde zaken. Op de terugweg doe ik nog wat boodschappen.

Het einde van de ochtend nadert alweer wanneer ik een begin maak met wat voor vandaag eigenlijk als hoofdtaak op het programma stond: het schrijven van een artikel voor het tijdschrift Vooys, een literair-wetenschappelijk blad met een redactie die geheel bestaat uit studenten, waaronder derdejaarsstudent NTC van de Radboud Universiteit Niels Mulder. Vooys gaat dit jaar een themanummer over politiek en literatuur uitbrengen, waarvoor ik heb toegezegd een artikel te zullen schrijven. Het is een klusje waar ik veel zin in heb – ik hou wel van het creatieve proces dat gepaard gaat met het creëren van een sluitend argument, al kan dat soms ook een behoorlijke worsteling zijn. In dit geval is dat gelukkig niet zo. Ik gebruik het artikel om een ideetje dat ik al langer in mijn hoofd had zitten eens wat dieper uit te werken en merk dat dat verrassend soepel gaat.

Het schrijven van dit artikel moet ik helaas wel een beetje tussen de bedrijven door doen. Ook vandaag kan ik mijn tijd er niet volledig aan wijden. De tentamens die ik vanochtend heb opgehaald, moeten ook nog nagekeken worden. Het zijn er gelukkig niet al te veel (het gaat om een herkansing), maar toch. Voor op de middag besteed ik hier ruim een uur aan, waarna ik alsnog een flink stuk van het artikel in conceptversie weet te schrijven.

Ik heb niet heel veel tijd om te eten, want om half acht heb ik alweer toneelrepetitie. Sinds een paar jaar heb ik een vaste toneelgroep, Theatergroep SNEU. We hebben nu twee voorstellingen gemaakt en zijn net begonnen met het werken aan de derde. We pakken het dit keer wat anders aan dan de vorige keren. We werken niet met een bestaand script, maar gaan onze eigen voorstelling bouwen vanuit improvisaties en losse oefeningen, aangestuurd door onze vaste regisseur Ghani. Helaas is zij vandaag geveld door de griep. Even leek het erop dat de repetitie daarom niet door zou gaan, maar de harde kern van de groep heeft besloten om gewoon lekker op eigen houtje te gaan improviseren. Dat werkt goed! We spelen lekker en hebben na afloop allemaal een voldaan gevoel over de avond. Traditiegetrouw sluiten we de avond af met een biertje bij tante Cil, de uitbaatster van Café Weerbericht op de Utrechtse Biltstraat. Omdat het natuurlijk weer veel te gezellig is daar, ben ik opnieuw pas rond half een thuis.

 

Donderdag 1 februari

Vandaag is weer een Nijmegen-dag. In de middag staat de Onderwijsdag gepland, waar ik me voor heb opgegeven. Ik heb dus alleen de ochtend om aan lopende taken te besteden. Ik had gehoopt nog wat verder te kunnen werken aan mijn Gouden Eeuw-hoorcollege, dat nog niet helemaal af is, maar ben uiteindelijk het grootste deel van de ochtend kwijt aan het schrijven van een reactie op de cursusevaluatie van het mastervak Vroegmoderne Nederlandse humor in Europees perspectief, dat ik de afgelopen periode gaf. Het vak is gelukkig erg positief geëvalueerd en ik suggereer slechts een paar kleine verbeterpunten.

Op donderdagen deel ik mijn kamer in het Erasmusgebouw met promovenda Aukje van Hout, die via een lerarenbeurs van NWO aan onze afdeling verbonden is en de rest van de week in het middelbaar onderwijs werkt. We maken even een praatje en informeren naar elkaars bezigheden.

Ik vertrek rond 12.00 uur naar het Elinor Ostrom-gebouw, aan de overkant van de Heyendaalseweg, waar de jaarlijkse Onderwijsdag van de RU plaatsvindt, een soort studiedag, bedoeld voor iedereen op de universiteit die iets met onderwijs doet. Behalve collega Marc van Oostendorp, die aan het einde van de middag een column zal uitspreken, ben ik de enige van onze afdeling die er is. Het programma weet me uiteindelijk maar matig te boeien. Het hoofdthema is dit jaar het geven van feedback, een heel belangrijk aspect van het (universitair) onderwijs, maar ik merk dat de nogal technische, onderwijskundige benadering hiervan me wat tegenstaat. Het is natuurlijk heel goed om in je onderwijspraktijk gebruik te maken van bewezen nuttige hulpmiddelen, maar de hulpmiddelen die hier nu aangereikt worden staan voor mijn gevoel wel erg ver van die praktijk af.

Vandaag is mij opnieuw geen vrije avond gegund. Alle avonden zijn bezet deze week (dat is – gelukkig – niet standaard iedere week zo). Ik zit ook in het bestuur van mijn toneelgroep en vanavond hebben we afgesproken om wat huishoudelijke zaken af te handelen, zoals de begroting voor komend jaar. We zijn sinds 2016 een officiële vereniging, met statuten en een zakelijke bankrekening, waarbij dus ook dit soort verantwoordelijkheden komen kijken. Wij weten gelukkig wel altijd het nuttige en het aangename goed met elkaar te combineren. In dit geval vindt onze vergadering plaats in combinatie met een maaltijd, gekookt door een van de bestuursleden, en een fles rode wijn.

Gelukkig ben ik deze avond wel iets eerder thuis dan de vorige avonden. Kan ik eindelijk eens een beetje op tijd naar bed.

 

Vrijdag 2 februari

Vrijdag is net als woensdag meestal een thuiswerkdag. Ik werk vandaag verder aan mijn artikel voor Vooys, maar heb ook een afspraak met een vriendin die net als ik onderzoek doet naar de achttiende eeuw, maar dan als theaterwetenschapper. Ze heeft mij een concept-artikel gestuurd om commentaar op te leveren. Ik heb haar een documentje gestuurd waarin ik heb geprobeerd op te schrijven hoe ik mijn onderzoek de komende jaren wil vormgeven.

Het wordt een buitengewoon nuttige sparsessie, waarin we elkaar over en weer bruikbare feedback geven en ook samen verder nadenken over elkaars onderzoek, de problemen die het oproept, maar vooral ook de mogelijkheden. Dit is eigenlijk het leukste onderdeel van het beroep van wetenschapper, vind ik: het samen nadenken over inhoudelijke vraagstukken, niet zozeer om ze meteen op te lossen, maar om de gedachtevorming in beweging te houden.

Deze avond ga ik een cabaretvoorstelling recenseren, van Pepijn Schoneveld. Hij gaat in première in de kleine zaal van Theater Bellevue in Amsterdam. Ik heb vriend L. meegenomen als +1. Vriend D. tref ik deze avond als concullega, samen met zijn vriendin. We zijn behoorlijk eensgezind over de kwaliteit van de voorstelling, zoals wel vaker: niet slecht, maar ook niet heel bijzonder. Beide geven we drie sterren/ballen.  (Zie hier mijn recensie en hier die van D.).

 

Zaterdag 3 februari

Het schrijven van cabaretrecensies voor Theaterkrant doe ik nu sinds september, en met veel plezier. Een nadeel is wel dat het je regelmatig ook een deel van je weekend kost. Veel voorstellingen gaan rond het weekend in première en de afspraak bij Theaterkrant is dat je de recensie uiterlijk de volgende dag voor 12.00 uur ’s middags inlevert.

Dus deze zaterdagochtend zit ik vanaf een uur of negen te schrijven aan mijn recensie, in pyjama, dat wel. Rond 11.00 uur is ie klaar en stap ik lekker onder de douche.

Na even snel de krant doorgenomen te hebben, is het tijd voor wat broodnodige schoonmaakwerkzaamheden in huis, die er de afgelopen weken steeds bij in schoten. Ik stofzuig alle kamers en geef mijn badkamer en toilet een goede beurt.

Rond half zes rijd ik voor de tweede keer deze week naar het huis van D. en zijn vriendin. Vanavond recenseren we opnieuw allebei dezelfde voorstelling. Er mocht dit keer geen +1 mee, dus gaan we maar samen. En van tevoren eten we dus ook samen.

We gaan vanavond naar Eva Crutzen, die in Diligentia in Den Haag in première gaat. Haar show maakt een stuk meer indruk dan die van Pepijn Schoneveld en krijgt van mij dan ook 4 sterren (van D. zelfs vijf!).

Na de voorstelling wil ik ook nog naar een feestje in Utrecht. Iemand uit mijn toneelgroep komt oorspronkelijk uit Frankrijk en viert dat ze twintig jaar in Nederland woont. Als ik aankom, zie ik door het raam mijn toneelvrienden al enthousiast dansen. Het is duidelijk een gezellige boel daar en ik blijf uiteindelijk tot half twee hangen.

Nee, veel rust gun ik mezelf deze week niet.

 

Zondag 4 februari

Deze ochtend moet ik opnieuw een recensie schrijven. Hoewel ik de voorstelling van Crutzen met veel plezier gezien heb en goed weet wat ik erover wil zeggen, moet het schrijven dit keer wel behoorlijk uit m’n tenen komen. Het missen van echte rustpunten deze week begint zo langzamerhand zijn tol te eisen.

Ik eindig mijn week met een relaxt middagje met vriend D. Eens in de zoveel tijd spreken we af om op zondagmiddag naar oude cabaretshows te kijken, spul uit de jaren ’80 of vroeger. Lekker de cabaretnerd uithangen. Dit keer laven we ons aan Jenny Arean.

We eten nog wat samen en dan vertrekt D., die ook een redelijk volle week had. Ik doe de afwas en besluit om nu maar eens mijn bijdrage aan de rubriek ‘De week van…’ te gaan uittypen. Want, o ja: ook dat had ik nog toegezegd deze week te zullen doen.