De week van… Anja de Feijter

Anja de Feijter nam vorige week deel aan de Kunz-Konferenz in Amsterdam. Op het blog vertelt ze over haar ervaringen van 16 tot 23 mei.

Anja de Feijter bij de tekening van Lucebert, die zij in februari 1994 van de dichter-schilder cadeau kreeg
Anja de Feijter bij de tekening van Lucebert, die zij in februari 1994 van de dichter-schilder cadeau kreeg

Maandagavond rond half tien telefoon: de gasten voor de Kunz-Konferenz in Amsterdam die morgenochtend begint, zijn aangekomen in hun hotel. We hebben beloofd nog even ter begroeting langs te komen en een half uur later treffen we elkaar in de hal van het Mriott aan het Leidseplein. De laatste weken zijn er al heel wat mails gewisseld, over een boek uit Keulen dat ik graag nog zou krijgen, over het moment van aankomst voor de conferentie, uit Kopenhagen en Stuttgart – jammer genoeg te laat om nog samen te eten. We moeten dinsdagmorgen vroeg beginnen.

Els Andringa publiceerde in april 2014 haar standaardwerk over Exil-literatuur: Deutsche Exilliteratur im niederländisch-deutschen Beziehungs-geflecht. Eine Geschichte der Kommunikation und Rezeption 1933-2013. Het is een uitgave bij De Gruyter (Berlijn/Boston) in de reeks ‘Studien und Texte zur Sozialgeschichte der Literatur’. Els is de drijvende kracht achter het boek over Ludwig Kunz (1900-1976), als Joods vluchteling uit Duitsland in 1938 naar Nederland ontkomen. Kunz heeft dan al een half leven als schrijver over literatuur en kunst van de avant-garde achter zich. In zijn geboorteplaats Görlitz geeft hij Die Lebenden uit, een onregelmatig verschijnende periodiek over kunst en literatuur van het heden, in het Duits ‘Gegenwartsliteratur’. Dat lukt hem van 1923 tot 1931. Na de oorlog zet hij zijn liefde voor kunst en literatuur in Nederland door met de uitgave van De Kim, een vergelijkbaar blad waarvan tussen 1950 en 1956 zeven nummers verschenen zijn. Het vijfde nummer is gewijd aan jonge Nederlandse poëzie en schilderkunst en zo komt de dwarsverbinding met Beweging van Vijftig en CoBrA tot stand. In de jaren vijftig, zestig en zeventig is hij vooral werkzaam als vertaler van Nederlandse literatuur naar het Duits. Hij heeft vooral poëzie vertaald en in dat genre vooral poëzie van Lucebert. Ik lever een bijdrage aan het boek over Ludwig Kunz als vertaler. Voor het eerst in het Duits heb ik over Kunz als vertaler van Lucebert gepubliceerd in nachbarsprache niederländisch, tijdschrift van de collega’s uit Duisburg-Essen. Dat was bij gelegenheid van de opening van een tentoonstelling van Lucebert in Duisburg, in september 1995, waarbij toen tot mijn grote verrassing een delegatie van het tweedejaar Nederlands aanwezig was.

Collega Heinz Eickmans uit Duisburg heeft toen gezorgd voor publicatie van de twee voordrachten bij die opening, door Jens Christian Jensen en ondergetekende. Mijn onderzoek van Kunz als vertaler van Nederlandse literatuur past voortreffelijk in het kader van de onderzoeksgroep ‘The Making of War. History and Memory of Crisis, War and Recovery’ met collega Joost Rosendaal als trekker.

Duisburg september 1995 met tweedejaars voor schilderij van Lucebert
Duisburg september 1995, met tweedejaars studenten Joachim Hilhorst, Corrien Blom, Daniël Rovers en Cynthia van Wachum voor een schilderij van Lucebert

Els en ik kennen elkaar lang en goed: uit de context van de OSL, de landelijke Onderzoekschool voor Literatuurwetenschap. Els Andringa, collega Germanistiek aan de Universiteit Utrecht, heeft veel samengewerkt met Elrud Ibsch en Dick Schram. Elrud is mijn tweede promotor, hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit van Amsterdam van 1976 tot 2000. Samen met Dick Schram, haar opvolger aan de VU, heb ik begin 2013 haar laatste boek bezorgd: Elrud Ibsch, Overleven in verhalen: van ooggetuigen naar ‘jonge wilden’. Joodse schrijvers over de Shoah, een uitgave van Garant (Antwerpen/Apeldoorn). Mijn eerste promotor is Margreet Schenkeveld, emeritus-hoogleraar Nieuwere Nederlandse Letterkunde aan de VU. Over haar straks meer.

Gorlitz oktober 2015, met M icha Labbé en Els Andringa voor de Oberlausitzische Wissenschaftliche Bibliothek
Gorlitz oktober 2015, met Micha Labbé en Els Andringa voor de Oberlausitzische Wissenschaftliche Bibliothek

Na afsluiting van het onderzoek voor haar boek Deutsche Exilliteratur heeft Els het plan voor een boek over Ludwig Kunz ontworpen. Zij heeft daartoe contact gezocht en gevonden met Micha Labbé, verre achterneef en erfgenaam van Ludwig Kunz, die zijn oom in 1966 in Amsterdam heeft leren kennen en zich in 1976 voorgenomen heeft om te zorgen voor een boek over hem. Micha heeft de literaire nalatenschap van zijn oom in de vorm van een langdurig bruikleen ondergebracht bij de wetenschappelijke bibliotheek van zijn geboorteplaats Görlitz, voluit de Oberlausitzische Wissenschaftliche Bibliothek geheten. Voor onderzoek van het Kunz-archief moesten we dus naar Görlitz, een ‘geteilte Stadt’ op de grens van Duitsland en Polen, doorsneden door de rivier de Neisse. Voor zo grote zaken waar zo veel mensen bij betrokken zijn – we werken met zeven mensen aan het boek – is de planning een heikele zaak! We vinden een mogelijkheid in de agenda die voor bijna iedereen past: in de tentamenweken tussen periode 1 en 2, in oktober 2015, reizen we naar Görlitz. Het oude centrum is ongeschonden door bombardementen de oorlog doorgekomen en biedt een prachtige façade voor menige filmopname. Sommigen van ons logeren in hotel Die Börse, waar de opnamen voor The Reader zijn gemaakt, met Kate Winslett in de hoofdrol. Terwijl wij er zijn, worden opnamen gedraaid voor een film over de jonge jaren van Karl Marx. Het weerzien met Micha is feestelijk. We leren nu ook Kerstin, zijn vrouw, kennen. We maken een kleine wandeling door het Vondelpark aan de zijde van het Leidseplein, naar Vondel CS, het voormalige filmmuseum, en heffen het glas op de conferentie.

De volgende morgen komt tussen half tien en tien uur iedereen aan. De banden uit Görlitz worden aangehaald en er zijn eerste ontmoetingen. Katja Zaich was er ook in Görlitz al. Zij is in 2000 aan de Universiteit van Hamburg gepromoveerd met een onderzoek naar Duitstalige podiumkunstenaars in Nederlands Exil. Zij schrijft over het werk van Ludwig Kunz voor de naoorlogse Duitse radio. Uit haar onderzoek blijkt dat Kunz rond 1950 in Nederland zowel met de avant-garde als met het literaire establishment contact heeft. Hij heeft bijvoorbeeld Guus Sötemann en P.H. Ritter geïnterviewd – iets om met Alex Rutten over te praten! Katja is professioneel vertaalster en heeft mijn bijdrage in het Duits vertaald. Ik ben bijzonder gelukkig met haar vertaling. Nieuw in het gezelschap zijn Dorle Meyer, kunsthistorica uit München, en Tim van der Grijn Santen, germanist zoals Els en gepromoveerd op onderzoek van Amsterdam als joods toevluchtsoord in Duitse en Nederlandse literatuur (Paderborn 2008). Hij levert een bijdrage over de literaire kritiek van Kunz in het Algemeen Handelsblad. In die functie zie je Kunz vooral als cultuurbemiddelaar aan het werk: voor Nederlandse krantenlezers schrijvend over Duitstalige literatuur. Cultuurbemiddelaar is hij natuurlijk ook als vertaler. Dorle Meyer schrijft over de Görlitzer kunstenaar Johannes Wüsten op een manier die hem in de zeer dichte nabijheid van Lucebert brengt. Onderwerp van haar dissertatie (Göttingen 2013) is het dubbelkunstenaarschap in het Expressionisme; heel duidelijk is, dat de verbinding tussen kunst en literatuur een van de grote liefdes van Ludwig Kunz is geweest. Je ziet dat terug in zijn keuze voor vertaling van Lucebert en ook in zijn grote zorg voor boekuitgaven en voor goede vertalingen van werk van Nederlandse dichters en schrijvers in catalogi van tentoonstellingen in Duitstalige landen. Naast Lucebert, Kouwenaar, Elburg en Campert heeft hij ook Schierbeek en Corneille vertaald en voor catalogi van vroege tentoonstellingen van Karel Appel heeft hij een prozatekst van Lucebert over Appel vertaald.

Konferenztisch, Micha Labbé aan het hoofd van de tafel
Konferenztisch, Micha Labbé aan het hoofd van de tafel

Alle bijdragen zijn er nu en alle auteurs hebben alle bijdragen gelezen. Nu gaat het er om mogelijke leemtes vast te stellen en te bepalen op welke punten we de samenhang nog kunnen verdiepen. Dat zijn er nog veel. Wat natuurlijk ook logisch is, gezien de centrale gestalte van Kunz. Ook over afbeeldingen en foto’s moet overlegd worden. Er is een prachtige foto van Kunz van de hand van Lucebert. Niet minder spannend is de kwestie van de illustratie van de verschillende uitgaven van Kunz. Om één uur breken we op. Bij Casa di Maggio staat een lunch voor ons gereed. We zitten er aan een lange, feestelijk gedekte eettafel. Na de lunch maken we de eerste Kunz-wandeling

Waldeck Pyrmontlaan
Waldeck Pyrmontlaan

door Amsterdam. We lopen nu het Vondelpark vanaf de kop van de Overtoom in en steken door naar de Waldeck Pyrmont laan. Uit documenten die ik in Görlitz voor het eerst heb gezien, blijkt dat hier het eerste onderduikadres is geweest, van januari tot augustus 1942. Overal om ons heen bloeit de blauwe regen, het is prachtig, zonnig weer, het is stil op straat. Uit wat Micha vertelt, blijkt dat er tussen hem en zijn oom nooit over Amsterdamse onderduik-adressen is gesproken, ook in dit leven dus niet: er kon niet over gesproken worden.

We verzamelen ons weer aan de conferentietafel en nemen de volgende twee bijdragen door. Rond zes uur sluiten we af. De dag is lang en vol geweest! De avond gebruikt ieder op eigen wijze.

terugwandelend over de Overtoomse Sluis
Els Andringa en Anja terugwandelend over de Overtoomse Sluis

Woensdag gaan we in enigszins afgeslankte vorm verder. Katja en Tim zijn er vandaag niet bij. Els heeft aanwijzingen voor de ‘Textgestaltung’ bij zich, die we bespreken en we praten over het tijdpad. Het zou mooi zijn als de eerste versie van het boek als geheel in de zomer gereed zou zijn. Er zal ook nog een bezoek aan Görlitz volgen, waar Kerstin in ieder geval bij wil zijn. We bespreken de laatste bijdragen en stellen opnieuw vast dat er plaatsen zijn waarop dwarsverbindingen verduidelijkt kunnen worden. Ook over de bijlagen, waarin voorbeelden van de vertaling door Kunz opgenomen zullen worden, moet nog overlegd worden.

’s Middags maken we de tweede Kunz-wandeling. Nu door het Vondelpark naar de concertgebouwbuurt, waar Luku op verschillende adressen gewoond heeft. Bij Van Wely aan de Beethovenstraat eten we een ijsje. Het is dan nog een eindje verder naar het adres aan de Beethovenstraat waar Micha afscheid van zijn oom heeft moeten nemen. Het is veertig later nu, maar dat boek komt er aan.

Opnieuw gaat ieder zijns weegs – we spreken af dat we de volgende dag nog samen zullen eten. Donderdagmorgen ruim ik een eerste keer op. Dat zal nog wel een keer moeten: in de loop van een jarenlang onderzoek leg je een ‘dossier’ aan. Ik maak een overzicht van wat er nog zal moeten gebeuren voor mijn bijdrage. In de loop van de avond stuurt Els notulen. Bij het avondeten met Micha en Kerstin praten we na: over deze week en over de afgelopen jaren. We nemen hartelijk afscheid. Niet te laat! Want ik moet omschakelen naar de volgende dag met college Aandachtsgebieden in de Nederlandse Letterkunde aan de tweedejaars – mijn tas stond klaar sinds maandagavond. Op het programma staat het casusonderzoek van de literaire kritiek over Kopland, casusonderzoek in het proefschrift van Susanne Janssen uit 1994. Alle hoofdzaken komen aan de orde. Boeiend is hoe studenten zich het hoofd breken over de zwaarwegende vragen naar het aandeel van lezers en critici in analyse en interpretatie van literatuur tegenover het aandeel van auteurs daarin. In het verlengde van de bespreking van Susanne Janssen vertel ik over het proefschrift van Floor van Renssen met de Nederlandse literaire kritiek over Vlaamse literatuur in de laatste twee decennia van de twintigste eeuw als object van onderzoek en beschrijving van de interactie tussen Nederlandse en Vlaamse literatuur via literaire kritiek en uitgeverij als doelstelling. Het was een onderzoek in het kader van het VNC, het Vlaams-Nederlands Comité, met Hugo Brems in Leuven. Floor werd vereerd met de oppositie van Hugo Brems, van Susanne Janssen én van Els Andringa. Ook van Ad Zuiderent, die als een van de eersten over de vertaling van Lucebert door Kunz heeft geschreven.

De meeste tijd in het weekeinde is voor het proefschrift van Tjerk de Reus. Hij werkt aan een dissertatie over Ad den Besten, de uitgever van de direct naoorlogse Windroos-reeks bij Uitgeversmaatschappij Holland. Hij is een van de mensen in de naoorlogse Nederlandse literatuur die ‘meewerken’ aan de doorbraak van de Beweging van Vijftig in die zin, dat hij in de loop van 1951 de debuten uitgeeft van Paul Rodenko, Hans Andreus, Remco Campert en Jan Hanlo. Maar hij zag de doorbraak van de nieuwe poëzie ook breder en daarover en over zijn ‘mythologische poetica’ gaat het proefschrift van Tjerk. Hij is ver gevorderd. Voor bespreking op maandagmorgen liggen drie hoofdstukken ter tafel: over zijn studie theologie, de onrust aan de Universiteit Utrecht naar aanleiding van de loyaliteitsverklaring van april 1943 en zijn veertien maanden durend verblijf in Duitsland in het kader van de ‘Arbeitseinsatz’. Sinds vorig jaar is Margreet Schenkeveld als tweede promotor bij zijn promotieonderzoek betrokken, zeer tot ons beider voordeel. Greet beschikt over een kennis van zaken op de verschillende terreinen van onderzoek waarop Tjerk de Reus zich moet begeven, die bij geen ander te halen is. Voor mij ontstaat er een mooie en heel onvermoede mogelijkheid van een rolwisseling.

Maandagmorgen is voor Tjerk de Reus. Maandagmiddag melden de eerste studenten zich: de tweedejaars van ‘Aandachtsgebieden’ die commentaar op ingeleverde synopsissen verwachten; de eerstejaars die nog een responsiecollege over de sonnetten van Hooft te goed hebben. En ook een aantal ouderejaars: Ruth Pasternak, Lilian Nijhuis, Lisa Rooijackers, Daan Dekker, allemaal zeer getalenteerde studenten met prachtige plannen voor het vervolg van hun studie in master en onderzoeksmaster.

’s Avonds heffen we het glas op de nieuwe president van Oostenrijk.