Jeroen en Ivo in “Journal of European Periodical Studies”

In de nieuwste aflevering van het open-access tijdschrift Journal of European Periodical Studies (jaargang 2, nummer 2) zijn artikelen te vinden van maar liefst twee leden van onze afdeling.

Jeroen Dera schreef een artikel over de functie van literatuur in De radiogids, het omroepblad van de VARA, in de jaren ’20 en ’30 van de twintigste eeuw.

Ivo Nieuwenhuis schreef een artikel over de rol van leedvermaak in een lasterlijk tijdschrift uit de late achttiende eeuw, Lanterne Magique of Toverlantaern.

Avond over Nederlandse taal en muziek in Den Bosch

Op 20 januari 2018 vindt in Den Bosch de eerste editie plaats van Bouwschouw, een initiatief van Bart van Dongen en Paviljoen Ongehoorde Muziek.

Deze eerste avond zal gaan over de relatie tussen Nederlandse taal en muziek. Drie generaties taalkunstenaars komen op 20 januari met hun musici naar het Kruithuis in Den Bosch.

De entree is 7 euro en de deuren openen om 20.00 uur.

Voor meer informatie: zie de de flyer.

Een nieuwe ‘Gijsbreght’ in de oorspronkelijke schouwburg

Vondels Gysbreght van Aemstel (1638) vormt een van de beroemdste teksten uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Het werk maakt standaard deel uit van de eerstejaarscursus “Gouden Eeuw” van onze opleiding.

De Gysbreght kent,  zoals velen zullen weten, ook een rijke opvoeringstraditie in Nederland. Tot 1968 werd het stuk ieder jaar in Amsterdam opgevoerd, altijd op nieuwjaarsdag. Enkele jaren terug werd die traditie nieuw leven ingeblazen door Het Toneel Speelt.

En nu is er een wel heel bijzonder initiatief. Theater Kwast, een professionele toneelgroep die zich expliciet richt op het levend houden van het zeventiende-eeuwse Nederlandse toneelerfgoed, voert op 3 en 7 januari 2018 de Gysbreght op….op de plaats van de oorspronkelijke Amsterdamse Schouwburg.

Die oorspronkelijke schouwburg stond aan de Keizersgracht en brandde in 1772 af. Alleen de toegangspoort en een paar muren zijn nog overgebleven. Tegenwoordig huist op deze plek het chique hotel The Dylan.

Theater Kwast verzorgt op 3 en 7 januari 2018 een bijzondere versie van de Gysbreght op verschillende plaatsen in dit gebouw. De voorstelling van 3 januari is helaas al uitverkocht, voor die van 7 januari zijn nog wel kaarten beschikbaar.

Zie voor meer informatie: http://stichtingkwast.nl/gysbreght-van-aemstel/

Oproep: De praktijk van de leeslijst

Jeroen Dera vraagt graag aandacht voor het onderzoek De praktijk van de leeslijst.

Elk jaar behalen zo’n 55.000 havisten en zo’n 35.000 vwo-leerlingen hun diploma aan de middelbare school. Dat betekent dat jaarlijks rond de 90.000 scholieren het onderdeel ‘literatuur’ binnen het schoolvak Nederlands afronden. Gesteld dat die leerlingen daadwerkelijk het voorgeschreven aantal literaire teksten op hun schooltype zouden lezen – minimaal 8 werken op het havo en 12 op het vwo – dan vertegenwoordigen deze leerlingen een leesgemeenschap waarin zo’n 860.000 keer een literair werk gerecipieerd werd.

Of de praktijk zo rooskleurig is als dat aanzienlijke cijfer, valt zeer te betwijfelen. Tal van leerlingen sluiten het onderwijs in literatuur succesvol af zonder ook maar één boek te lezen, of ze lezen enkele pagina’s en behelpen zich vervolgens met een uittreksel op de website Scholieren.com. Het literatuuronderwijs kampt daarnaast met een imagoprobleem: criticasters als Christiaan Weijts (‘Fuck de canon!’, NRC Handelsblad, 14 januari 2016) en Alex Boogers (De lezer is niet dood, 2015) schetsen een stoffig beeld van de literatuurlessen, waarin aansluiting bij de literaire actualiteit ver te zoeken zou zijn. Weijts poneerde zelfs dat de gemiddelde leeslijst ‘misdadig’ is en dat docenten die nog canonieke werken voorschrijven op strafkamp dienen te gaan.

Maar hoe zien die leeslijsten van die 90.000 scholieren er nu eigenlijk uit? Vooralsnog is dat giswerk. Vanuit academische hoek (vakdidactiek, literatuursociologie, onderwijskunde) is nog nooit onderzoek gedaan naar wat havisten en vwo’ers nu daadwerkelijk voor Nederlands (en andere talen) lezen. Het project ‘De praktijk van de leeslijst’ beoogt hier verandering in te brengen door systematisch te onderzoeken wat Nederlandse havo- en vwo-scholieren lezen om aan de exameneisen voor het vak Nederlands te voldoen.

“Oproep: De praktijk van de leeslijst” verder lezen

Literatuuronderwijs: van Reize door het Aapenland tot YouTube-vloggers

Aukje van Hout is docente Nederlands bij het Dominicus College in Nijmegen en promoveert via een lerarenpromotiebeurs van NWO bij de afdeling Nederlandse taal en cultuur. Ze doet onderzoek naar het realistische proza van Johan de Meester (1860-1931) en verwante schrijvers uit de periode 1890-1920.
Hieronder doet ze verslag van haar ervaringen als docent.
‘Mevrouw, kent u het liedje van Famke Louise?’ vraagt een leerling. ‘Nee’, antwoord ik, ‘ik weet niet eens wie Famke Louise is’. De klas begint te lachen. ‘Ként u haar niet?! Dat kán niet!’ roept mijn derde klas verontwaardigd. Ze staat al twee weken in de top 10, duh… In razend tempo word ik bijgepraat: ze is een ‘superbekende’ vlogster, de vriendin van vlogger Snapking (wie?) en heeft een liedje gemaakt dat ‘Op me monnie’ heet. (Ondertussen vraag ik me af wanneer het precies misging: ‘vroeger’ kreeg ik dit soort dingen toch nog mee? Ik vind het eigenlijk al heel wat dat ik weet wie Enzo Knol is…).

 

Thuis gekomen besluit ik dat liedje van Famke Louise maar eens te beluisteren op Youtube. De clip is in twee weken tijd al meer dan zes miljoen keer bekeken. Op mijn scherm steekt een jong meisje, halfnaakt maar met bontjas en gouden kettingen, haar middelvingers op naar de camera en via de autotune zingt ze: ‘Ik ben op me monnie, waar is het de way, maar m’n sannie is verraderlijk’ – ik moet nog even aan mijn leerlingen vragen wat dat precies betekent. Al surfend op Youtube kom ik tal van parodieën op het nummer tegen, zoals het meisje dat in een manege ‘Op me ponnie’ zingt. Daar moet ik toch wel om lachen. Ik begrijp opeens waarom leerlingen het altijd zo ‘druk’ hebben… De wereld van Youtube-vloggers lijkt eindeloos.

De volgende ochtend, half negen. Ik heb 32 zuur kijkende pubers voor me. Aan mij de taak om 4 havo lastig te vallen met Reize door het Aapenland (1788) van J.A. Schasz. Voor wie de betreffende tekst niet kent: een ik-figuur ontvlucht zijn land, nadat hij per ongeluk zijn vrouw, dienstmeisje, paard en hond heeft laten verdrinken. Na een flinke omzwerving belandt hij in het Aapenland, waar hij terechtkomt in een hevige politieke strijd tussen twee partijen. Die strijd betreft de beste manier om mens te worden: door je als mens te gedragen of door het uiterlijk aan te passen en de staart af te hakken. Het laatste plan krijgt de meeste stemmen. De afloop laat zich raden.

Ter voorbereiding op deze les hebben de leerlingen een fragment uit het verhaal gelezen: het einde, waarin het afhakken der staarten culmineert in een groot bloedbad en de apen op gruwelijke wijze sterven. ‘Wat een stom verhaal, mevrouw’, laat een leerling me weten, ‘waar sláát dit op?’. Ik hoop mijn klas dat uit te kunnen leggen. De details van de politieke achtergrond laten we – hoe interessant ook – in havo 4 achterwege, maar we hebben het wel over satire. ‘Weet iemand wat dat is?’ vraag ik hoopvol. De klas staart me apathisch aan – moét dit, zo vroeg op de ochtend? ‘Kijkt er iemand naar Arjen Lubach?’ probeer ik voorzichtig. Een aantal leerlingen begint driftig te knikken. Ja, dat wel, mevrouw.

Langzaam ontstaat er een gesprek waarin naar de betekenis van satire wordt gezocht. Het is ‘iets met humor’ en ‘gaat over het nieuws’, over ‘problemen’. ‘De actualiteit’, vult iemand aan. Kijk, nu komen we ergens. Ik geef de leerlingen een aantekening over satire en de middelen die daarbij kunnen worden ingezet: ironie, karikatuur, parodie… ‘Wat is dat?’ vraagt een leerling. Het blijkt dat eigenlijk niemand in de klas precies weet wat een parodie is. Ik probeer mijn uitleg te verduidelijken met een aansprekend voorbeeld, iets wat ze kennen, maar kan zo snel niets bedenken. De aandacht verslapt, er wordt uit het raam gestaard of in een schrift getekend. Maar dan schiet plotseling ‘Op me ponnie’ door mijn hoofd. Triomfantelijk zeg ik: ‘Jullie kennen dat liedje van Famke Louise toch wel?’ Direct heb ik alle aandacht terug… ‘Kent ú dat, mevrouw?!’

Aukje van Hout

Columnist gezocht!

Schrijf je graag proza en heb je een boodschap over te brengen? Wij zijn op zoek naar een student(e) aan onze afdeling Nederlandse Taal en Cultuur die columns wil schrijven voor ons blog. Wil jij maandelijks (of vaker) je column terugzien op ons blog? Wil jij voor de rest van het huidige collegejaar onze afdelingscolumnist zijn? Mail dan graag vóór 22 december naar Nadine de Rue via n.derue@let.ru.nl.

Afdelingsdichter gezocht!

Het blog is op zoek naar een student(e) van onze afdeling Nederlandse Taal en Cultuur die onze afdelingsdichter wil worden voor het huidige collegejaar. Schrijf je gedichten en wil je graag de kans om je gedichten naar buiten te brengen? Wil je graag mensen bereiken met je poëzie? Wij zoeken iemand die op vrijwillige basis met enige regelmaat – ten minste maandelijks – een gedicht kan aanleveren dat wij op ons blog zullen plaatsen.

Interesse? Mail dan graag vóór 22 december naar Nadine de Rue via n.derue@let.ru.nl

Boekpresentatie ‘Belangrijk boekenbezit’

Donderdag 14 december wordt in de Universiteitsbibliotheek het boek Belangrijk boekenbezit. Een bloemlezing uit de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Nijmegen aangeboden. In het fraai geïllustreerde boek staan 51 boeken uit de collectie centraal.


Medewerkers, onder wie Lotte Jensen, Rob van der Schoor, Johan Oosterman en Hans Kienhorst van de afdeling Nederlands, en studenten van de Radboud Universiteit kozen ieder een speciaal werk uit de enorme collectie dat voor hun vakgebied van belang is. Met liefde voor de wetenschap en voor het papieren erfgoed stellen zij de bijzondere boeken aan de lezer voor. Onder meer een papyrusfragment uit de derde eeuw, middeleeuwse handschriften, populair drukwerk uit verschillende eeuwen, kunstzinnige uitgaven en prachtige prenten worden besproken.

De uitgave is tot stand gebracht in samenwerking met uitgeverij Matrijs en is te koop via www.matrijs.com en in de boekhandels.

Een prijs uit Warschau

Paul Hulsenboom

Dat ik regelmatig in Polen ben, zal voor menigeen geen nieuws meer zijn. Voor mijn onderzoek (en voor de lol) ben ik dit jaar al meerdere malen naar het oosten afgereisd, om in bibliotheken en archieven op zoek te gaan naar oud-Poolse en Latijnse teksten die te maken hebben met de Nederlanden (ik schreef er al eerder over). Zo ook afgelopen week, toen ik in Warschau onderzoek deed in de BUW (Biblioteka Uniwersytecka w Warszawie: de Universiteitsbibliotheek te Warschau) en de AGAD (Archiwum Główne Akt Dawnych: het Hoofdarchief van Oude Documenten), dat onder meer onderdak biedt aan de huisarchieven van meerdere adellijke geslachten, zoals de familie Zamoyski (spreek uit “Zamojskie”) en Radziwiłł (“Radzjieview”, min of meer). In de BUW werd ik blij verrast door een lang Pools gedicht uit de late 17e eeuw, waarin de Nederlanders worden geportretteerd als al te tolerante, gierige en onbetrouwbare rebellen. Vervolgens stuitte ik in de AGAD op meerdere 17e– en 18e-eeuwse Poolse brieven, verzonden vanuit de Nederlanden. Zodoende blijft mijn lijst met primair bronmateriaal gestaag groeien.

De AGAD in Warschau

Toch had mijn bezoek aan de Poolse hoofdstad dit keer in hoofdzaak een andere reden. “Een prijs uit Warschau” verder lezen