Nijmeegse alumnus genomineerd voor verkiezing ‘Beste leraar Nederlands van 2015’

arnoud-k[1]Als enige Nederlander is Nijmeegse alumnus Arnoud Kuijpers genomineerd voor de titel ‘Beste leraar Nederlands van 2015’. Hij valt vooral op vanwege zijn lessen op youtube, die het vooral goed doen in aanloop naar de eindexamens. De NPO maakte er een item over: http://nos.nl/op3/artikel/2034672-je-eindexamen-leren-doe-je-op-youtube.html.  Zie ook het blogbericht van 24 februari 2014: http://nederlands.ruhosting.nl/alumnus-uitgelicht-de-geflipte-ervaringen-van-arnoud-kuijpers/.

Stemmen is mogelijk tot vrijdag 15 mei om 18.00 uur: https://onzetaal.nl/poll/stem-voor-beste-leraar-nederlands-van-2015.

Op zaterdag 16 mei reikt minister Jet Bussemaker de prijs uit tijdens een bijzondere uitzending van De Taalstaat (NPO radio 1, 11.00-13.00).

Imme Lammertink publiceert onderzoek masterscriptie

imme_lammertinkHoe weet je wanneer je aan de beurt bent om te praten? Imme Lammertink heeft voor haar masterscriptie onderzoek gedaan naar hoe beurtwisselingen in gesprekken werken en hoe dat geleerd wordt. Binnen dit kader heeft zij onder andere Nederlandstalige en Engelstalige peuters getest in Nijmegen, maar ook in Cambridge. Zij heeft dit onderzoek, getiteld  Dutch and English toddlers’ use of linguistic cues in predicting upcoming turn transitions, weten te publiceren in Frontiers of Psychology. Een indrukwekkende prestatie! “Imme Lammertink publiceert onderzoek masterscriptie” verder lezen

Drie keer een alumnus

Op het moment volgen derdejaars bachelorstudenten Nederlands het vak Geesteswetenschappen & Samenleving. Tijdens deze cursus denken ze na over het belang van geesteswetenschappen. Ook oriënteren ze zich op de arbeidsmarkt. En wie weet beter hoe een Neerlandicus in de markt ligt dan een alumnus? Hieronder verslaat studente Kim Saris de ontmoeting tussen studenten en alumni van vorige week.

Ruimte 6.18, het vaste vergaderhok van de redactie van de onmisbare Uitvreter, wordt eens per jaar gebruikt voor een minstens zo belangrijke  alumni-avond. Op 14 april was het tijd voor een informele kennismaking met alumni van Nederlandse taal en cultuur. In een drietal rondes presenteerden de oud-studenten zichzelf en vertelden hoe het leven verder ging na het afronden van de leukste studie van de RU. Nou ben ik de studie niet voor niets gaan doen, maar bij tijd en wijle heb ik een hard hoofd in mijn carrièreperspectieven. Verrassend genoeg hoorden de studenten veel positief gestemde verhalen: de een had er een handje van goed te kunnen netwerken en bij de ander was het simpelweg een ‘kwestie van geluk’ en zodoende bleek dus dat er met de studie Nederlands meer banen te vangen zijn dan gedacht.

De eerste ronde die ik bijwoonde, was bij Evi Savelkouls, die niet kon wachten om met een brede glimlach te vertellen over haar passies. “Drie keer een alumnus” verder lezen

Klanksymboliek in Philadelphia: Paula Fikkert en Imme Lammertink presenteren onderzoek

Conferentie: Society for Research in Child Development (SRCD)

Ik vraag jullie bij dezen een keuze te maken. Op de afbeelding hieronder zie je twee figuren. Een van deze twee figuren is een boeba, het andere figuur is een kiki. Bedenk nu voor jezelf: wat is de boeba en wat is de kiki?

Wanneer ik deze vraag aan het begin van een presentatie stel, is bijna iedereen het met elkaar eens. Het linker (ronde) figuur is de boeba en het rechter (puntige) figuur is de kiki. Als luisteraar koppelen we hier de vorm van het figuur (rond of puntig) en de klanken van boeba (rond) en kiki (puntig) aan elkaar om tot te betekenis van het woord te komen. Dit is bijzonder, want bij de meeste woorden in het Nederlands is de relatie tussen de klank van het woord en de betekenis van het woord geheel arbitrair (waarom heet een stoel een stoel?). Dit laatste is niet in alle talen het geval; sommige talen (bijvoorbeeld het Japans) hebben een speciale woordklasse waarin de betekenis van woorden gekoppeld is aan de klanken van deze woorden. Dit verschijnsel waarbij betekenis en klank gekoppeld zijn, heet klanksymboliek.

Deze week zal ik, samen met Paula Fikkert en Sho Tsuji, een bezoek brengen aan een grote 3-daagse conferentie georganiseerd door de Society for Research in Child Development (SRCD) in Philadelphia (USA). Tijdens deze conferentie presenteren wij de resultaten van ons onderzoek naar de ontwikkeling van gevoeligheid voor klanksymboliek in Nederlandse kinderen. “Klanksymboliek in Philadelphia: Paula Fikkert en Imme Lammertink presenteren onderzoek” verder lezen

Anéla Juniorendag 6 maart: Lisa Rommers presenteert

Voor alle neerlandici die vorig jaar rond mei voor het experiment van mijn bachelorwerkstuk naar heel veel geluiden van de Engelse fonemen /E/ en /ae/ hebben geluisterd, nogmaals: bedankt! Door dit experiment weet ik nu meer of de prosodische kenmerken van Infant Directed Speech helpen bij het leren van een niefoto_Lisauw foneemcontrast. Na mijn bachelor Nederlands, waarin ik het ontzettend leuk en interessant vond om dit experiment op te zetten en uit te voeren, ben ik begonnen met de researchmaster Cognitive Neuroscience. Daar mag ik nu naar hartenlust twee jaar lang nog meer experimenten uitvoeren (ja ja, schrik niet, ook daar is jullie hulp weer hard bij nodig!). Maar aanstaande vrijdag 6 maart nog even terug naar mijn bachelorwerkstuk, want vrijdag is het de Anéla juniorendag. Dit is een dag waarop junioronderzoekers van verschillende universiteiten naar Nijmegen komen om onderzoek op het gebied van de toegepaste Taalkunde te presenteren. Een dag die ik niet wilde missen, en met geluk: Ik mag vrijdag mijn bachelorwerkstuk in de vorm van een poster presenteren. Een eerste kennismaking met de ‘echte’ onderzoekswereld, waar hopelijk leuke discussies worden aangegaan en nieuwe contacten ontstaan. Ik kijk er erg naar uit!

Door: Lisa Rommers – oud-studente Nederlandse Taal en Cultuur

Alumnus uitgelicht: van syntaxis naar uitgeverij

door Tineke Droog

tinekedroog

‘Iets met taal’, wilde ik doen. Wat precies, dat wist ik niet zo goed. Hoe kun je dat ook weten eigenlijk, op je zeventiende? Talen lagen me goed, bètavakken wat minder (een understatement). Met zes talen en geschiedenis op mijn lijst deed ik eindexamen. Volgens mij mag dat niet eens meer. Het zou Spaans of Nederlands worden, het werd Nederlands. Ik heb er geen spijt van gehad. De studie was zo breed dat ik de tijd had om erachter te komen wat ik leuk vond. Dat was niet de literatuur: ik las en lees graag, maar kon me niet vinden in het wetenschappelijk benaderen van boeken. Zochten we er niet veel meer achter dan de schrijver erin had willen leggen? Wat was er meetbaar, objectief, concreet aan verhalen? Nu denk ik er genuanceerder over, want als je zo redeneert kun je haast iedere wetenschap buiten de bètavakken reduceren tot hobby. Dat zou arrogant en onterecht zijn.

In de taalkunde vond ik vakken die me erg lagen: syntaxis, fonologie, kindertaalverwerving, Vroegnieuwnederlands: “Leiden ontzet, vierden de Geuzen feest”.  Geen idee hoe deze constructie ook alweer heet, maar interessant toch? ‘Leiden ontzet zijnde’, ‘Leiden ontzet hebbende’, hoe zit dat?

Bij syntaxis kon Maarten Klein meesterlijk vertellen over de regelmatigheden en bijzondere onregelmatigheden in het Nederlandse taalsysteem. Maar evenzo smakelijk over zijn ervaringen met taalkundige Paardekooper (hij logeerde ooit eens bij hem op zolder, in streepjespyjama!). Af en toe popt er weer iets op dat ik ergens tijdens mijn studie heb opgepikt. Op het moment dat je middenin je colleges zit, sta je er niet zo bij stil, maar in die paar jaar krijg je zoveel informatie die je nooit meer op die manier aangeboden zult krijgen. Een unieke periode, vind ik achteraf.

Uiteindelijk ben ik afgestudeerd bij Anneke Neijt en Ineke van de Craats, op een vakgebied dat half bij Nederlands en half bij taalwetenschappen thuishoorde. Het ging over de invloed van het klinkersysteem uit de moedertaal van vrouwen uit het Tarifit-gebergte op de uitspraak van Nederlandse klanken. Nu ik het teruglees, begrijp ik niet waar ik de formantwaarden, spreidingsdiagrammen en frequenties vandaan haalde. Ik geloof niet dat ik het zou kunnen reproduceren. Maar ik ben er heel trots op!

Afgelopen jaar was ik weer een keer terug op de universiteit, bij het babylab. Nu was mijn eigen dochter even onderzoeksobject, al brabbelend kijkend naar de plaatjes op het scherm en de piepjes. Na afloop mochten we een boekje uitzoeken en was ik bijna net zo trots als bij mijn scriptie, ha!

Aan mijn studie heb ik veel vrienden overgehouden. Of vriendinnen eigenlijk, we hadden een onzettend vrouwenjaar. En via via hoor ik over wat iedereen is gaan doen. Een ding wordt wel duidelijk: met Nederlands kun je alle kanten op. En dat is niet altijd makkelijk: want welke kant? Misschien helpt dit stukje een beetje. Er zijn nog steeds veel meer studenten letterkunde dan taalkunde. Mijn advies zou zijn: ga eens bij syntaxis kijken. Klinkt vreselijk, is echt heel leuk. Maar doe vooral wat je interessant vindt en bijt je daarin vast. Er zal vast geen baan precies aansluiten, maar dat hoeft volgens mij ook niet. Het is niet voor niets een wetenschappelijke studie en geen beroepsopleiding, toch?

Zelf heb ik nu een functie die niet eens een Nederlandse naam heeft: content manager. Al mag je het ook redacteur noemen, of editor. Ik werk bij Malmberg, een educatieve uitgeverij in Den Bosch en bedacht vorige week nog wat een leuke baan ik eigenlijk heb. Ik maak lesboeken voor kinderen en mag me eigenlijk overal mee bemoeien. Met het didactisch concept, met het ontwerp en vooral: met de inhoud van de lessen. De afgelopen vier jaar heb ik taalmethode Taal Actief mee ontwikkeld, en daarin kon ik mijn taalkundige achtergrond heel goed kwijt. Nu ben ik als uitgever in opleiding bezig het concept voor een lesmethode Engels voor het basisonderwijs te ontwikkelen. Ik vind het geweldig. En wie weet wat er nog in het verschiet ligt. (Wat een mooie uitdrukking trouwens, je zult de Nederlands taal maar als studieonderwerp hebben!)

Alumna Vera de Ruiter: ‘het leidinggeven in deze sector zal ik niet snel meer opgeven’!

foto Vera SneijdersOp de vraag: ‘Wat wil je later met je studie Nederlands doen?’ antwoordde ik steevast: ‘Dat weet ik nog niet precies, maar ik wil in ieder geval niet het onderwijs in.’ Want het onderwijs, dat leek me zwaar. En spannend ook: leiding geven aan volle klassen en verantwoordelijk zijn voor het leerproces van leerlingen in een dynamische omgeving. Ik specialiseerde mij binnen mijn studie in de Moderne Letterkunde, met als bijrichting Taalbeheersing. Na het behalen van mijn master kon ik het studerende leven nog niet vaarwel zeggen en ik wilde ook wel naar het buitenland. Ik besloot om de Master na Master in de Literatuurwetenschappen te volgen, in België. Deze master wordt aangeboden door vier universiteiten (Leuven, Antwerpen, Gent en Brussel) en is in 1 jaar (voltijd) of 2 jaar (deeltijd) te doorlopen. Ik koos voor de voltijdse route, maar door een verkeersongeluk liep ik enige vertraging op. Ook verhuisde ik in het eerste studiejaar van België terug naar Nederland. Voor het tweede jaar hoefde ik nog maar een paar studieonderdelen af te ronden, niet genoeg om een studiejaar volledig mee te vullen. Hoewel ik een beurs voor een Radboudjaar ethiek inmiddels toegekend had gekregen, liet ik me overhalen door vriendinnen om met hen samen de eerstegraadslerarenopleiding Nederlands te volgen. De belangrijkste reden: ‘Dan heb je in ieder geval kans op een baan’. Dus daar zat ik dan: toch bij de lerarenopleiding, toch voor de klas. Het werd een pittig jaar. Niet alleen moest ik leren lesgeven, wat niet altijd van een leien dakje gaat, ik moest ook mijn master in België afronden. Maar na een jaar hard werken kon ik maar liefst twee getuigschriften tegelijkertijd in ontvangst nemen. De belangrijkste reden om voor de lerarenopleiding te kiezen werd gelijk bevestigd: ik kon een deeltijdbaan krijgen bij mijn stageschool en ik mocht ook nog eens mijn voorkeur uitspreken voor de klassen waaraan ik les wilde geven. “Alumna Vera de Ruiter: ‘het leidinggeven in deze sector zal ik niet snel meer opgeven’!” verder lezen

Jorien Hollaer over de Loopbaanoriëntatieavond

Jorien Hollaer is derdejaars Nederlands.

loopbaan

Op 22 april werd in het kader van het vak Geesteswetenschappen in de Samenleving een loopbaanoriëntatieavond georganiseerd. Op deze avond vertelden alumni over wat zij zijn gaan doen na hun studie Nederlands, wat prima aansluit bij dit vak dat derdejaars voorbereidt op een toekomst na hun studie.

De avond was opgedeeld in drie rondes, zodat iedereen naar keuze nader kennis kon maken met drie alumni. In totaal waren er acht alumni die allemaal op verschillende plaatsen terecht zijn gekomen. Zo was er een skypegesprek met een docente NT2 in Moskou. Ook waren er alumni dichter bij huis: bijvoorbeeld een docent bedrijfscommunicatie aan de HAN, een medewerker PR bij uitgeverij Vantilt en een medewerker aan een project van de universiteit. De alumni zijn op veel verschillende plaatsen beland; zo waren er ook een redacteur van radioprogramma De Ochtend (radio 1) en een Digital Strategy Advisor bij een bedrijf.

Ze hadden allemaal hun eigen verhaal en goede tips. Zo is een baan vinden niet altijd makkelijk, maar je moet creatief zijn en de moed niet zomaar opgeven. Je weet immers nooit hoe je een baan aangeboden krijgt: iemand kreeg zelfs een baan via haar studieadviseur. Je eerste baan hoeft niet meteen de leukste te zijn, maar geduld hebben en verderkijken is belangrijk.

De avond liet zien dat je na een studie Nederlands nog veel meer kunt dan docent worden. ‘Netwerken’ was en is het toverwoord van de avond en onze toekomst. Het kwam al meerdere keren naar voren tijdens het vak: maak je Linked-In op orde en begin op tijd met netwerken. De alumni waren het daar duidelijk mee eens, ‘want je weet maar nooit waar je via-via terecht kan komen’.

Alumnus uitgelicht: In de mallemolen van het werkende leven

foto J. Verlouwdoor Judit Verlouw

Of ik een stukje wilde schrijven voor de blog van Nederlandse taal en cultuur, waarin alumni vertellen wat ze na hun studie zijn gaan doen. Leuk idee, leuke vraag. Maar acht jaar samenvatten in duizend woorden, dat is nog niet zo makkelijk…

Als ik aan een leek moet uitleggen wat ik doe voor de kost, zeg ik meestal iets als ‘Ik werk als redacteur voor educatieve uitgeverijen, dat betekent dat ik meewerk aan het maken van schoolboeken.’ De ervaring leert dat veel mensen bij ‘redacteur’ alleen aan kranten denken en ook niet echt weten wat zo’n functie eigenlijk inhoudt, vandaar mijn keuze voor deze misschien wat infantiele beschrijving.

Redacteuren zijn er in vele soorten en maten. En ze werken dus niet alleen bij en voor kranten, maar ook bij en voor tijdschriften, literaire en educatieve uitgeverijen, tekstbureaus en nog vele andere uiteenlopende bedrijven en organisaties. In en rond een educatieve uitgeverij vind je vooral bureau- en eindredacteuren, die werken met bestaande teksten. De eindredacteur legt op alle slakken zout, de bureauredacteur is de kommaneuker. Ik doe beide afwisselend. Lekker klungelen met tekst en taal, heerlijk.

Voor ik mijn brood verdiende als tekstbewerker, heb ik uitgebreid het studerende leven verkend. Vrij bewust deed ik wat langer over mijn studie dan er op papier voor stond. Mijn redenen daarvoor waren legio, de elementen die de duur verlengden ook.
Toen ik in het voorjaar van 2006 tegen mijn afstuderen aanhikte, wist ik niet zo goed welke kant ik op wilde  –  misschien ook omdat ik relatief weinig wist over wat er op de arbeidsmarkt voor mij te koop was. Ik dacht er weleens aan het onderzoek in te gaan, maar veel mogelijkheden waren daar in mijn afstudeerrichting op dat moment niet voor. Journalistiek kon interessant zijn, maar dan moesten het wel achtergrondartikelen worden en niet nieuwsjagen, en daar had ik eigenlijk niet de handigste studierichtingen en stages voor gevolgd. Misschien volwassenonderwijs, NT2-onderwijs, of iets heel anders waarvan ik het bestaan nog niet kende…
Tot het zover zou zijn, vermaakte ik me nog prima met mijn scriptie, die voornamelijk bestond uit het transcriberen en analyseren van zestiende-eeuwse handgeschreven liefdesliedjes uit een bewaard gebleven album van een bevoorrechte jongedame uit die tijd.

Terwijl mijn scriptie van de persen rolde, tipte een al werkende vriendin (tevens oud-studiegenoot) mij over een vacature bij het redactiebureau waar zij werkte. Voor ik het wist, had ik een jaarcontract als bureauredacteur voor 32 uur per week. Het was een goede, gemoedelijke leerschool waar ik de kneepjes van het vak leerde. Leerschool ja, want ik had dan weliswaar een academische bul, voor het vak redacteur was ik niet opgeleid – niet dat mijn opleiding niet van pas kwam overigens.
Bij het bureau werd vooral in opdracht van educatieve uitgeverijen gewerkt en ik leerde wat belangrijk is bij het redigeren van leerboeken, zoals op uniforme formuleringen letten, samenhang en overeenstemming tussen de diverse leermiddelen controleren, het juiste taalniveau voor kinderen en jongeren gebruiken en daarbij vooral in het oog houden dat er geen denkstappen overgeslagen worden, enzovoort. Maar ook het trivialere werk, zoals de uitlijning van tekstkaders, het gebruik van harde en zachte returns, halve kastlijntjes en het al dan niet plaatsen van spaties voor beletseltekens, kwam aan bod.

Ik had in die tijd nog altijd een zekere hang naar het studentenleven. Er lonkte een half-voltooide tweede master; door de studiejaren heen had ik het een en ander aan cursussen gevolgd die binnen de toenmalige master Taal- en Cultuurstudies pasten. Zonde en te leuk om te laten liggen.
Het laatste en grootste deel, de scriptie, heb ik uiteindelijk afgerond in Parijs, waar ik eerder al een halfjaar doorbracht via het Erasmusprogramma. En, omdat ik zestiende-eeuwse liefdesliedjes nu eenmaal de bom vind, bezocht ik (in samenspraak met mijn voormalig scriptiebegeleider Johan Oosterman) en passant ook nog wat krakende Franse archieven waar verstofte liedteksten erom riepen gelezen en geanalyseerd te worden. Boeiend om mee bezig te zijn, en met de vergaarde kennis over deze alba kon ik later hopelijk een wetenschappelijk artikel fabriceren.
Dit alles werd trouwens vooral mogelijk gemaakt door veel plannen en organiseren, sparen en een bijzonder coulante baas die mijn baan voor mij in de wacht zette.

Weer terug in het Nederlandse, werkende leven begon het na een tijdje te kriebelen en was ik benieuwd hoe het zou zijn om wat dichter bij het vuur, dus niet in opdracht van, maar ín een uitgeverij te werken. Ik kwam terecht bij een educatieve uitgeverij in Den Bosch. Het werk in de uitgeverij ging goed en vond ik leuk. Inhoudelijk bleek het mijn eerdere baan niet veel te ontlopen, maar de verschillen tussen een kleinschalig bureautje met tien collega’s en een Kantoor met driehonderd werknemers profileerden zich duidelijk. Rond die tijd bloeide ook mijn oude liefde, de zestiende-eeuwse liedjes, weer op.  Met wat hulp en ondersteuning van Johan voltooide ik een artikel dat gepubliceerd werd in een vaktijdschrift, een leuke ervaring!

Na een tijdje merkte ik dat het ‘van 9 tot 5’ kantoorleven bij mij begon te knellen. Ook was er binnen de uitgeverij waar ik werkte een reorganisatie op komst, wat betekende dat een deel van de functies op mijn afdeling zou verdwijnen en dat de rest verdeeld zou worden over twee nieuwe functieprofielen die mij beide weinig aanspraken.
Er brak een tijd aan van nadenken. Na veel wikken en wegen, het uitdenken van allerlei (on)mogelijkheden en het verzamelen van informatie, durf en vertrouwen, vestigde ik me per 1 januari 2010 als zelfstandig redacteur. Ik maakte  –  niet verwacht maar wel verhoopt  –  een vliegende start.

Inmiddels ben ik een tijdje verder en vermaak en red ik me nog altijd wonderwel als freelance redacteur en tekstschrijver. Ik doe nog steeds veel op het gebied van educatieve leermiddelen, maar houd me hier en daar ook bezig met culturele en andere projecten – er komen hoe dan ook voldoende, afwisselende en uitdagende  opdrachten op mijn pad. En als de tijd en mijn hoofd het toelaten, wil ik me nog wel eens verdiepen in een zestiende-eeuws liefdesliedje.

Het werkende leven is soms een beetje een mallemolen, heb ik ervaren. De een zit meteen op zijn plek, de ander maakt wat meer omzwervingen. Soms zit de onrust in jezelf, soms ook verstoren factoren van buitenaf de balans. Het belangrijkst is naar mijn idee dat je iets doet waar je hart ligt, waar je plezier in hebt, waarin je jezelf kunt zijn en je eigen tempo kunt volgen. Waar je je wel eventjes mee kunt vermaken, zeg maar. Want het idee is dat je het een jaar of veertig, vijftig volhoudt.

Alumnus uitgelicht: De geflipte ervaringen van Arnoud Kuijpers

In deze nieuwe rubriek doen alumni van onze opleiding verslag vanuit het werkveld. Deze keer: Arnoud Kuijpers, eerstegraads docent Nederlands en blogger voor Uitgeverij Tumult.

arnoud k

Na mijn afstuderen ben ik direct doorgestroomd naar de lerarenopleiding aan de universiteit. Inmiddels sta ik officieel anderhalf jaar als eerstegraads docent Nederlands voor de klas. Het is een cliché, maar elke dag is echt anders. Ik probeer onze mooie (maar ingewikkelde) Nederlandse taal op een interessante manier over te brengen op pubers die daar niet echt op zitten te wachten. Toch lukt het me vrij aardig.

Ik ben geïnteresseerd in iedere leerling en ik probeer op een vernieuwende manier les te geven. Want, zoals wellicht bekend is, loopt het onderwijsland enorm achter bij de (technologische) ontwikkelingen in de maatschappij. Typerend is natuurlijk dat ik twee jaar geleden op het ILS, het instituut voor docenten in opleiding, op geen enkele manier in aanraking ben gekomen met ‘vernieuwing’ in het onderwijs. “Alumnus uitgelicht: De geflipte ervaringen van Arnoud Kuijpers” verder lezen