Maak kennis met…Lilian Nijhuis

Mijn naam is Lilian Nijhuis (1995) en op 1 februari 2018 ben ik begonnen als promovendus bij de afdeling Nederlands. Mocht mijn naam u bekend voorkomen, dan komt dat waarschijnlijk doordat ik al sinds september 2013 op de afdeling rondliep als student. Na mijn bachelor Nederlandse Taal en Cultuur heb ik de researchmaster Literary Studies gedaan, eveneens hier aan de Radboud Universiteit – met kleine uitstapjes naar de Universiteit van Amsterdam en Universiteit Utrecht.

Ik doe onderzoek binnen het project ‘Dealing with Disasters’, dat de afgelopen weken – in de vorm van aankondigingen en voorstelstukjes van Marieke, Fons, Adriaan en Hanneke – al meermaals voorbijgekomen is op dit weblog. Mijn proefschrift zal gaan over het verband tussen (natuur)rampen en lokale en nationale identiteitsvorming in de zeventiende-eeuwse Republiek. Als enige neerlandicus naast drie historici zal ik mij in mijn promotieonderzoek in het bijzonder richten op letterkundige bronnen zoals gedichten en toneelstukken.

“Maak kennis met…Lilian Nijhuis” verder lezen

Een gastlezing in Leuven, oftewel: Het belang van het Oosten

Door Paul Hulsenboom

“Zoals altijd waren daar mensen die bijzonder bekwaam waren in alle wetenschapsgebieden. Er was daar een groot aantal professoren, bachelors, masters en doctoren, alsook studenten uit verschillende landen.”

Afgelopen week was ik in Leuven, om daar aan de universiteit een gastlezing te geven. Bovenstaand citaat gaat over die universiteit en zou zomaar uit mijn dagboek kunnen komen, als ik een dagboek had, want het is zeer toepasselijk. Toch is het geen recent citaat, eerder het tegenovergestelde: het zijn de woorden van Jakub Sobieski (spreek uit Jakoeb Sobjeskie), een Poolse edelman, die Leuven in 1609 bezocht en zijn bezoek zo’n 35 jaar later beschreef als reisinstructie voor zijn zonen, Marek en Jan (de latere koning van Polen, overigens), die eenzelfde tour door Europa ondernamen als hun vader. Jakubs reisverslag is een van de talrijke bronnen die getuigen van de populariteit van Leuven en andere ‘Nederlandse’ universiteiten, zoals Leiden en Groningen, onder Poolse edellieden in de eerste helft van de 17de eeuw.

Op uitnodiging van Prof. Kris Van Heuckelom, docent bij de opleiding Slavistiek en expert op het gebied van de Poolse taal en cultuur, reisde ook ik nu af naar Leuven (toegegeven, een dergelijke reis heeft in 2018 minder om het lijf dan in 1609, om maar te zwijgen van het feit dat ik niet uit Polen, maar uit Nederland kwam, maar de vergelijking met Sobieski dringt zich hoe dan ook op). In de Justus Lipsiuszaal (vernoemd naar de beroemde 16de-geleerde die onder meer vele Poolse studenten aantrok en bijzonder populair was in Polen) sprak ik een vijftiental studenten Slavistiek toe over mijn promotieonderzoek: om te beginnen een theoretisch en methodologisch gedeelte over wat ik doe, waarom ik dat doe en hoe ik dat doe, en na de pauze een presentatie van mijn voorlopige resultaten. Zo vertelde ik in het eerste gedeelte over het belang van onderzoek naar (nationale) stereotypen, het ontstaan van concepten als West- en Oost-Europa en de uitdagingen van mijn onderzoek, zoals het ontcijferen van 17de-eeuwse handschriften. Om de studenten van dit laatste een idee te geven, liet ik hen een Nederlands reisverslag uit 1635 bestuderen, geschreven naar aanleiding van een diplomatieke missie naar Polen. Hoewel het een behoorlijk lastig fragment betrof, konden de studenten er na een paar minuten al aardig mee uit de voeten: ze lazen bijvoorbeeld dat Joan Huydecoper, de auteur, onder de indruk was van de Poolse stad Toruń en dat hij een “japonse cottinch” had geschonken aan een Litouwse edelman, “om dat hij er sin in had”. Na bijna 400 jaar kwam Huydecopers tekst zodoende weer tot leven en konden de studenten proeven van wat mij betreft een van de spannendste en mooiste aspecten van mijn werk.

Mijn lezing had als hoofdtitel: “Quid enim in Belgio incultum?”, oftwel: “Wat is er immers onbeschaafd in België?” Het is een zinnetje uit een 17de-eeuws Latijns reisverslag van een Pool die de Nederlanden bezocht.

“Een gastlezing in Leuven, oftewel: Het belang van het Oosten” verder lezen

Van schuurpapier tot slagerstouw

Op woensdag 21 februari j.l. gingen de studenten van de tweedejaarscursus Letterkunde 6: Twintigste Eeuw op excursie. Student Djuna Bánki schreef een verslag.

Op woensdag 21 februari gingen we met alle studenten die het vak Letterkunde 6 volgen een dagje naar Den Haag. Op de planning stond een bezoekje aan de Bijzondere Collecties van de Koninklijke Bibliotheek en een rondleiding door het Museum Meermanno.

Na een voorspoedig verlopen treinreis zonder veel logistieke problemen werden we opgewacht door mevrouw De Feijter, die ons begeleidde naar de Koninklijke Bibliotheek. Nadat we onze jassen en tassen in de meest ingewikkelde kluisjes ooit gedeponeerd hadden, werd de groep in twee gesplitst. De ene helft ging mee met meneer Nieuwenhuis, die ons nog wat extra toelichting gaf op de essay-opdracht voor literaire theorie. De andere helft mocht mee met Paul van Capelleveen, de conservator Bijzondere Collecties.

Boek van Tom Lanoye, gebonden in tapijt.

Hij liet ons prachtige bijzondere drukken zien.  Deze varieerden van een boek Tom Lanoye, dat gebonden was in schuurpapier of tapijt met slagerstouw, tot een prachtige uitgave van Naenia van P.C. Boutens met tekeningen van Jan Toorop. Mijn persoonlijke favoriet was het boekje met handgeschreven gedichten van Hugo Claus en bijpassende tekeningen van Karel Appel. Een foto hiervan heb ik nog dezelfde dag op Instagram geplaatst om wat likes te scoren.

Handgeschreven gedichten van Hugo Claus, met bijpassende tekeningen van Karel Appel.

“Van schuurpapier tot slagerstouw” verder lezen

Congres over Maria van Gelre en haar gebedenboek – Call for papers

Het gebedenboek van Maria van Gelre (Berlijn SBB-PK Ms Germ qu 42 / Wenen ÖNB Cod. 1908), geschreven door Helmich die Lewe en in 1415 voltooid, en heel rijk verlucht, is om diverse redenen uitzonderlijk: de omvang van oorsponkelijk meer dan 600 folia, de rijke verluchting, de keuze voor de Nederrijnse volkstaal, en de bijzondere compilatie van gebeden en getijden. De afgelopen jaren heeft het boek centraal gestaan in een project waarin de Staatsbibliothek zu Berlin en de Radboud Universiteit hebben samengewerkt in het onderzoek, en dat geleid heeft tot een tentoonstelling die van 13 oktober 2018 – 6 januari 2019 plaatsvindt Museum Het Valkhof te Nijmegen. Het onderzoek heeft veel aan het licht gebracht over het omvangrijke en complexe gebedenboek, over het leven van Maria, hertogin van Gulik en Gelre, en over de cultuur in de hertogdommen Gelre, Gulik en Berg.

Ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Ik, Maria van Gelre. De hertogin en haar uitzonderlijke gebedenboek’ (13 oktober 2018 – 6 januari 2019 in Museum Het Valkhof, Nijmegen) organiseert de Radboud Universiteit in samenwerking met Museum Het Valkhof en de Staatsbibliotheek in Berlijn op 23 en 24 november 2018 een tweedaags symposium te Nijmegen.

“Congres over Maria van Gelre en haar gebedenboek – Call for papers” verder lezen

Lotte Jensen spreekt op Artikel 1-lezing 2018

Op vrijdag 23 maart 2018 vindt in Utrecht de Artikel 1-lezing 2018 plaats, georganiseerd door de Afdeling Staatsrecht, Bestuursrecht en Rechtstheorie en het Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten van de Universiteit Utrecht. Lotte Jensen is een van de vier sprekers. Hieronder volgt de officiële aankondiging.

“Lotte Jensen spreekt op Artikel 1-lezing 2018” verder lezen

Themamiddag ‘Lang leve de vaderlandse taal en cultuur!?’

Op vrijdag 20 april 2018 organiseert de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde een themamiddag in de Universiteitsbibliotheek Leiden (Vossiuszaal). De titel luidt: Lang leve de vaderlandse taal en cultuur!?

Welke rol hebben de geesteswetenschappen in de samenleving? De studie van de ‘moedertaal’, de ‘vaderlandse’ literatuur en de ‘nationale’ geschiedenis kreeg gestalte rond 1800. De neerlandistiek en de vaderlandse geschiedenis werd een prominente rol toebedacht in de natievorming. De geesteswetenschappen dienden zo eerst en vooral een groot maatschappelijk belang.

Welke belangen dienen de geesteswetenschappen vandaag de dag? Is er nog een brede maatschappelijke functie? Of is er vooral een academisch belang? Moet dat academisch belang “gevaloriseerd” worden en zo ja, hoe dan? Waartoe zijn de neerlandistiek en de vaderlandse geschiedenis (nog) op aard?

Onder leiding van dagvoorzitter Peter Altena zullen prominente geesteswetenschappers spreken en debatteren over dit thema: Gert-Jan Johannes, Odile Heynders, Roland de Bonth, Henk te Velde en Lotte Jensen.

De Commissie voor Taal- en Letterkunde nodigt iedereen van harte uit voor deze themamiddag.

Aansluitend wordt het eerste exemplaar van de bundel Language, Literature and the Construction of a Dutch National Identity (1780-1830), die bij AUP verschijnt, aangeboden aan Joep Leerssen.

Programma

13.30 Opening
15.00 Koffie/thee
16.30 Boekpresentatie
Aansluitend borrel

Opgeven

A.u.b. voor 10 april 2018 bij Gijsbert Rutten (g.j.rutten@hum.leidenuniv.nl)

Maak kennis met… Hanneke van Asperen

‘Kunsthistoricus word je niet om er geld mee te verdienen’, zoiets zei docent Kunstgeschiedenis Harry Tummers tegen me toen ik voor de eerste keer kwam kijken in Nijmegen op een voorlichtingsdag van de Radboud Universiteit. Een docent op de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg had me enthousiast gemaakt voor het vak dat voorheen niet eens op mijn radar stond. Ondanks de nog een aantal keer herhaalde waarschuwing ben ik Kunstgeschiedenis gaan studeren en heb daar nooit een seconde spijt van gehad.

Sommige van mijn nieuwe collega’s bij Nederlands zullen mijn gezicht misschien herkennen. Voordat ik bij Nederlands begon, zat ik op de afdeling Kunstgeschiedenis enkele verdiepingen hoger. Behalve naar de mogelijkheid om eens onderdeel uit te maken van een andere afdeling, kijk ik uit naar de deelname aan een grotere onderzoeksgroep. Binnen het project van Lotte Jensen, Dealing with Disasters – ja, ook ik – zal ik mij als kunsthistoricus gaan bezighouden met de visuele verbeelding van (natuur)rampen vanaf de late Middeleeuwen. Wat wordt afgebeeld, en vooral hoe en in welke context(en)? En wat zegt dit over de omgang met en de reacties op rampen?

Na mijn studie Kunstgeschiedenis heb ik me gespecialiseerd in de periode rond 1500. Tijdens mijn promotie-onderzoek heb ik gekeken naar bedevaartssouvenirs en religieuze handschriften. Deze kleine, goedkope voorwerpen, en vooral de sporen ervan in de boeken die leken gebruikten bij hun gebeden, waren het uitgangspunt voor een studie naar toepassing van souvenirs na afloop van de bedevaart. De gebruikssporen waren bovendien een interessante invalshoek om te kijken naar het gebruik van religieuze boeken door leken. De verdediging is inmiddels bijna tien jaar geleden, maar een onderzoek waar je je zo lang zo intensief mee hebt beziggehouden, laat je nooit helemaal los. Recent schreef ik een essay over pelgrimsinsignes in boeken voor de catalogus van Magische Miniaturen, een tentoonstelling die tot 3 juni 2018 in Museum Catharijneconvent te zien is.

Na mijn promotie was ik postdoc op de afdeling Culture Studies in Tilburg waar ik me bezighield met voorstellingen van caritas. Het postdoc-onderzoek naar liefde en liefdadigheid van de late middeleeuwen tot de negentiende eeuw gaf me de kans om weer met een brede blik naar de (kunst)geschiedenis te kijken. Dat was eerst intimiderend, maar bleek al snel bevrijdend. Mijn aanstelling binnen het project Dealing with Disasters zie ik als een prachtige mogelijkheid om mijn onderzoek naar liefde en liefdadigheid een nieuwe wending te geven; rampen en liefdadigheid zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Behalve aan onderzoek besteed ik veel tijd aan mijn kinderen, een meisje van 10 en twee jongens van 5 en 8. Weekenden en vrije middagen zijn gauw gevuld met voetbaltrainingen, zwem- en muzieklessen, met brengen en ophalen, maar ook met spelletjes en kleine gesprekken. Kinderen kunnen soms verrassend uit de hoek komen. Klassiek is de opmerking van mijn toen drie-jarige zoontje die tijdens een hagelbui opmerkte: ‘Mama, het regent hard.’ Het duurde even voordat ik doorhad dat hij gelijk had. Mijn schaarse lege uurtjes vul ik graag met sportlessen op het universitair sportcentrum. De fysieke inspanning is heerlijk als afwisseling, vooral als onderbreking wanneer ik een hele dag achter de computer zit. Mocht de deur van mijn werkkamer gesloten zijn, is er een grote kans dat ik even op de spinning-fiets zit.

Eredoctoraat voor Jeroen Brouwers

Vandaag valt op de centrale website van de RU te lezen dat aan schrijver Jeroen Brouwers een eredoctoraat toegekend zal worden door onze universiteit. Dit zal gebeuren op 18 oktober 2018, tijdens de viering van Dies Natalis van RU.

Brouwers werd voorgedragen voor dit eredoctoraat door Jos Joosten en hoogleraar Spiritualiteitsstudies Peter Nissen.

In het bericht op de RU-site legt Jos Joosten uit waarom Brouwers een eredoctoraat verdient: ‘Jeroen Brouwers is een vooraanstaand en veelgeprezen schrijver met een carrière die al meer dan een halve eeuw beslaat. Hij heeft belangrijke maatschappelijke kwesties behandeld in zijn romans, zoals de verwerking van de Tweede Wereldoorlog in Indië in Bezonken rood (1981) en het misbruik in de katholieke kerk in Het hout (2014). Maar hij is ook een groot essayist, met een werkwijze die het midden houdt tussen wetenschappelijke analyse en literaire verbeelding, en polemist. Voor veel schrijvers is hij een voorbeeld: hij leeft voor en door de literatuur. Als beschouwer schrijft hij ook veel over de Vlaamse literatuur, die ook een bijzonder aandachtspunt is van de Nijmeegse neerlandistiek. En of hij nu polemiseert of een standbeeldje opricht voor een schrijver: het is stilistisch altijd virtuoos.’

Zie het volledige nieuwsbericht hier.

Maak kennis met… Adriaan Duiveman

Mijn naam is Adriaan Duiveman en sinds 1 februari kunt u mij in één van de hoekkantoren op de zesde verdieping vinden. Samen met Marieke, Fons, Lilian en Hanneke doe ik onderzoek naar de betekenis van rampen in de vorming van lokale en nationale identiteiten binnen het Vici-project van Lotte Jensen. Mijn subproject focust zich op de achttiende eeuw. Ik zal onder andere analyseren hoe de Verlichting de interpretatie van rampen veranderde. Tevens ben ik onderdeel van de gestage kolonisatie van de Nijmeegse letterenfaculteit door Groningers.

Ik studeerde Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en Uppsala Universitet (Zweden). Na het afronden van de research master Modern History and International Relations (RUG) werkte ik als coördinator voor het Onderzoeksinstituut voor Cultuurwetenschappelijk Onderzoek Groningen (ICOG). Naast deze administratieve functie deed ik onderzoek naar vroegmoderne drinkcultuur aan de hand van drankspelletjes, drinkliederen en drinkrituelen. Zeventiende-eeuwse drankspelletjes eisten ook de nodige slachtoffers, dus in dat opzicht is de overstap van onderwerp niet zo groot.

Op dit moment woon ik nog in Groningen, maar ik wil graag op korte termijn naar Nijmegen verhuizen. Als u toevallig weet dat er een studio, klein appartement of een ruime kamer in een afstudeerhuis vrijkomt, schroom alstublieft niet om contact met mij te zoeken. De gouden tip wordt beloond met een fles La Chouffe en/of een reep Tony.

Onthulling beeld ter ere van J.J. Cremer

Vandaag staat in de Betuwe-editie van De Gelderlander een groot artikel over een beroemde negentiende-eeuwse schrijver en schilder: Jacob Jan Cremer (1827-1880).

Hij schreef allerlei novellen over het boerenleven in Gelderland, die destijds zeer populair waren. Hij was ook de auteur van Fabriekskinderen (1863), waarin hij de schrijnende omstandigheden in de fabrieken aankaartte.

Op vrijdag 13 april wordt ter ere van de schrijver in  Driel (Gelderland) een bronzen beeld onthuld. Op het beeld is Kruuzemuntje te zien, een van de personages uit het werk van Cremer.

De onthulling zal om 14.30 uur worden gedaan door Lotte Jensen, de burgemeester en de kinderburgemeester van de gemeente Overbetuwe.