De week van… Susanne Brouwer

Susanne Brouwer is universitair docent bij de afdeling Nederlandse Taal en Cultuur en geeft onder meer statistiek. Daarnaast is ze statistiek consulent voor het Humanities Lab.
 

Maandag 4 december

Het is 08.09 uur en de deuren van de trein slaan achter mij dicht. Vanuit mijn woonplaats Utrecht ben ik op weg naar de Radboud Universiteit in Nijmegen. Op mijn schoot ligt het boek Language in Mind. An Introduction to Psycholinguistics van Julie Sedivy (zie foto 1). Een pareltje! Ik blader de hoofdstukken door en lees hier en daar wat stukken tekst. De auteur lijkt de psycholinguïstische onderwerpen op een duidelijke en interactieve manier uiteen te zetten en daarnaast studenten uit te dagen. Het bevat zelfs een elegante companion website met verschillende activiteiten. Collega Stefan F. en ik denken erover om dit boek in de toekomst te gaan gebruiken voor onze gezamenlijke cursus Taal en Cognitie: Inleiding in de Psycholinguïstiek. Aan het eind van de treinreis ben ik overtuigd dat we de overstap moeten gaan maken.

“De week van… Susanne Brouwer” verder lezen

Alumna Linda Drijvers wint Christine Mohrmann Stipendium

Vanmiddag – 12 december – om 15.30 uur wordt in de Academiezaal in de Aula aan tien veelbelovende vrouwelijke promovendi het Christine Mohrmann Stipendium uitgereikt. Onder de winnaressen is dit keer promovenda Linda Drijvers, alumna van onze opleiding Nederlandse Taal en Cultuur.  Linda Drijvers doet onderzoek naar hoe gebaren (gesticulaties) de spraakverstaanbaarheid ondersteunen. Haar onderzoek is o.a. hier in meer detail beschreven.

Doel van het stipendium is vrouwelijke promovendi aan te moedigen hun wetenschappelijke loopbaan na voltooiing van hun proefschrift voort te zetten. Het Christine Mohrmann Stipendium stelt hen in de gelegenheid een periode door te brengen aan een buitenlandse universiteit. Linda Drijvers zal de 5.000 Euro die ze gewonnen heeft, inzetten om aan de University of Birmingham en de University of Oxford zich verder te verdiepen in nieuwe technieken voor het analyseren van MEG-data (magnetoencefalografie).

Oproep: De praktijk van de leeslijst

Jeroen Dera vraagt graag aandacht voor het onderzoek De praktijk van de leeslijst.

Elk jaar behalen zo’n 55.000 havisten en zo’n 35.000 vwo-leerlingen hun diploma aan de middelbare school. Dat betekent dat jaarlijks rond de 90.000 scholieren het onderdeel ‘literatuur’ binnen het schoolvak Nederlands afronden. Gesteld dat die leerlingen daadwerkelijk het voorgeschreven aantal literaire teksten op hun schooltype zouden lezen – minimaal 8 werken op het havo en 12 op het vwo – dan vertegenwoordigen deze leerlingen een leesgemeenschap waarin zo’n 860.000 keer een literair werk gerecipieerd werd.

Of de praktijk zo rooskleurig is als dat aanzienlijke cijfer, valt zeer te betwijfelen. Tal van leerlingen sluiten het onderwijs in literatuur succesvol af zonder ook maar één boek te lezen, of ze lezen enkele pagina’s en behelpen zich vervolgens met een uittreksel op de website Scholieren.com. Het literatuuronderwijs kampt daarnaast met een imagoprobleem: criticasters als Christiaan Weijts (‘Fuck de canon!’, NRC Handelsblad, 14 januari 2016) en Alex Boogers (De lezer is niet dood, 2015) schetsen een stoffig beeld van de literatuurlessen, waarin aansluiting bij de literaire actualiteit ver te zoeken zou zijn. Weijts poneerde zelfs dat de gemiddelde leeslijst ‘misdadig’ is en dat docenten die nog canonieke werken voorschrijven op strafkamp dienen te gaan.

Maar hoe zien die leeslijsten van die 90.000 scholieren er nu eigenlijk uit? Vooralsnog is dat giswerk. Vanuit academische hoek (vakdidactiek, literatuursociologie, onderwijskunde) is nog nooit onderzoek gedaan naar wat havisten en vwo’ers nu daadwerkelijk voor Nederlands (en andere talen) lezen. Het project ‘De praktijk van de leeslijst’ beoogt hier verandering in te brengen door systematisch te onderzoeken wat Nederlandse havo- en vwo-scholieren lezen om aan de exameneisen voor het vak Nederlands te voldoen.

“Oproep: De praktijk van de leeslijst” verder lezen

Literatuuronderwijs: van Reize door het Aapenland tot YouTube-vloggers

Aukje van Hout is docente Nederlands bij het Dominicus College in Nijmegen en promoveert via een lerarenpromotiebeurs van NWO bij de afdeling Nederlandse taal en cultuur. Ze doet onderzoek naar het realistische proza van Johan de Meester (1860-1931) en verwante schrijvers uit de periode 1890-1920.
Hieronder doet ze verslag van haar ervaringen als docent.
‘Mevrouw, kent u het liedje van Famke Louise?’ vraagt een leerling. ‘Nee’, antwoord ik, ‘ik weet niet eens wie Famke Louise is’. De klas begint te lachen. ‘Ként u haar niet?! Dat kán niet!’ roept mijn derde klas verontwaardigd. Ze staat al twee weken in de top 10, duh… In razend tempo word ik bijgepraat: ze is een ‘superbekende’ vlogster, de vriendin van vlogger Snapking (wie?) en heeft een liedje gemaakt dat ‘Op me monnie’ heet. (Ondertussen vraag ik me af wanneer het precies misging: ‘vroeger’ kreeg ik dit soort dingen toch nog mee? Ik vind het eigenlijk al heel wat dat ik weet wie Enzo Knol is…).

 

Thuis gekomen besluit ik dat liedje van Famke Louise maar eens te beluisteren op Youtube. De clip is in twee weken tijd al meer dan zes miljoen keer bekeken. Op mijn scherm steekt een jong meisje, halfnaakt maar met bontjas en gouden kettingen, haar middelvingers op naar de camera en via de autotune zingt ze: ‘Ik ben op me monnie, waar is het de way, maar m’n sannie is verraderlijk’ – ik moet nog even aan mijn leerlingen vragen wat dat precies betekent. Al surfend op Youtube kom ik tal van parodieën op het nummer tegen, zoals het meisje dat in een manege ‘Op me ponnie’ zingt. Daar moet ik toch wel om lachen. Ik begrijp opeens waarom leerlingen het altijd zo ‘druk’ hebben… De wereld van Youtube-vloggers lijkt eindeloos.

De volgende ochtend, half negen. Ik heb 32 zuur kijkende pubers voor me. Aan mij de taak om 4 havo lastig te vallen met Reize door het Aapenland (1788) van J.A. Schasz. Voor wie de betreffende tekst niet kent: een ik-figuur ontvlucht zijn land, nadat hij per ongeluk zijn vrouw, dienstmeisje, paard en hond heeft laten verdrinken. Na een flinke omzwerving belandt hij in het Aapenland, waar hij terechtkomt in een hevige politieke strijd tussen twee partijen. Die strijd betreft de beste manier om mens te worden: door je als mens te gedragen of door het uiterlijk aan te passen en de staart af te hakken. Het laatste plan krijgt de meeste stemmen. De afloop laat zich raden.

Ter voorbereiding op deze les hebben de leerlingen een fragment uit het verhaal gelezen: het einde, waarin het afhakken der staarten culmineert in een groot bloedbad en de apen op gruwelijke wijze sterven. ‘Wat een stom verhaal, mevrouw’, laat een leerling me weten, ‘waar sláát dit op?’. Ik hoop mijn klas dat uit te kunnen leggen. De details van de politieke achtergrond laten we – hoe interessant ook – in havo 4 achterwege, maar we hebben het wel over satire. ‘Weet iemand wat dat is?’ vraag ik hoopvol. De klas staart me apathisch aan – moét dit, zo vroeg op de ochtend? ‘Kijkt er iemand naar Arjen Lubach?’ probeer ik voorzichtig. Een aantal leerlingen begint driftig te knikken. Ja, dat wel, mevrouw.

Langzaam ontstaat er een gesprek waarin naar de betekenis van satire wordt gezocht. Het is ‘iets met humor’ en ‘gaat over het nieuws’, over ‘problemen’. ‘De actualiteit’, vult iemand aan. Kijk, nu komen we ergens. Ik geef de leerlingen een aantekening over satire en de middelen die daarbij kunnen worden ingezet: ironie, karikatuur, parodie… ‘Wat is dat?’ vraagt een leerling. Het blijkt dat eigenlijk niemand in de klas precies weet wat een parodie is. Ik probeer mijn uitleg te verduidelijken met een aansprekend voorbeeld, iets wat ze kennen, maar kan zo snel niets bedenken. De aandacht verslapt, er wordt uit het raam gestaard of in een schrift getekend. Maar dan schiet plotseling ‘Op me ponnie’ door mijn hoofd. Triomfantelijk zeg ik: ‘Jullie kennen dat liedje van Famke Louise toch wel?’ Direct heb ik alle aandacht terug… ‘Kent ú dat, mevrouw?!’

Aukje van Hout

Columnist gezocht!

Schrijf je graag proza en heb je een boodschap over te brengen? Wij zijn op zoek naar een student(e) aan onze afdeling Nederlandse Taal en Cultuur die columns wil schrijven voor ons blog. Wil jij maandelijks (of vaker) je column terugzien op ons blog? Wil jij voor de rest van het huidige collegejaar onze afdelingscolumnist zijn? Mail dan graag vóór 22 december naar Nadine de Rue via n.derue@let.ru.nl.

Discussie Engels in het hoger onderwijs

De toename van het Engelstalige onderwijs blijft de gemoederen bezig houden. Wat zijn de consequenties voor de kwaliteit van het onderwijs en de inhoud op langere termijn? Op maandag 4 december vond in de Tweede Kamer een rondetafelgesprek plaats, georganiseerd door de Taalunie. Lotte Jensen was daar aanwezig namens de KNAW, die eerder dit jaar een rapport over het taalbeleid in het hoger onderwijs publiceerde. Een verslag van het gesprek is hier te lezen.

Afdelingsdichter gezocht!

Het blog is op zoek naar een student(e) van onze afdeling Nederlandse Taal en Cultuur die onze afdelingsdichter wil worden voor het huidige collegejaar. Schrijf je gedichten en wil je graag de kans om je gedichten naar buiten te brengen? Wil je graag mensen bereiken met je poëzie? Wij zoeken iemand die op vrijwillige basis met enige regelmaat – ten minste maandelijks – een gedicht kan aanleveren dat wij op ons blog zullen plaatsen.

Interesse? Mail dan graag vóór 22 december naar Nadine de Rue via n.derue@let.ru.nl

Boekpresentatie ‘Belangrijk boekenbezit’

Donderdag 14 december wordt in de Universiteitsbibliotheek het boek Belangrijk boekenbezit. Een bloemlezing uit de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Nijmegen aangeboden. In het fraai geïllustreerde boek staan 51 boeken uit de collectie centraal.


Medewerkers, onder wie Lotte Jensen, Rob van der Schoor, Johan Oosterman en Hans Kienhorst van de afdeling Nederlands, en studenten van de Radboud Universiteit kozen ieder een speciaal werk uit de enorme collectie dat voor hun vakgebied van belang is. Met liefde voor de wetenschap en voor het papieren erfgoed stellen zij de bijzondere boeken aan de lezer voor. Onder meer een papyrusfragment uit de derde eeuw, middeleeuwse handschriften, populair drukwerk uit verschillende eeuwen, kunstzinnige uitgaven en prachtige prenten worden besproken.

De uitgave is tot stand gebracht in samenwerking met uitgeverij Matrijs en is te koop via www.matrijs.com en in de boekhandels.

Overleden: M.C. van den Toorn (4 januari 1929 – 23 november 2017)

In zijn woonplaats Nijmegen is afgelopen donderdag de taalkundige M.C. (Maarten) van den Toorn, tot 1992 hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan onze universiteit, overleden.

Van den Toorn studeerde Nederlands in Leiden en was daarna jarenlang verbonden aan het Instituut De Vooys van de Universiteit Utrecht. In 1974 werd hij benoemd als hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij publiceerde onder andere een veel bestudeerde Nederlandse Grammatica (Prisma, 1973), een leerboek over de Nederlandse taalkunde en een studie over de taal van het nationaal-socialisme. Ook stond hij aan de basis van de Algemene Nederlandse Spraakkunst.

Van den Toorn was in sommige opzichten een neerlandicus van de oude stempel, die het vak nog in zijn geheel had kunnen overzien voor het gaandeweg specialistischer werd. Hij bleef zijn hele leven ook belangstelling houden voor de letterkunde en hij hechtte er ook aan zich helder uit te drukken. Tegelijkertijd was hij sceptisch over het bestaan van dat vak: zijn afscheidscollege was getiteld De eenheid van de neerlandistiek, en hoewel Van den Toorn betwistte dat er ooit zo’n eenheid was geweest, pleitte hij wel voor meer streven naar gezamelijkheid.

Bovenal was Van den Toorn zelf natuurlijk een taalkundige, die zijn vak goed bijhield, en die ook op de hoogte was van moderne ontwikkelingen, zoals de Chomskyaanse taalwetenschap. Bekend is zijn artikel over ‘De methode Paardekooper‘, waarin hij de bekende grammaticus respectvol bekritiseerde vanwege diens gebrek aan theoretisch kader. Tegelijkertijd was Van den Toorn in zijn eigen werk toch ook vooral een eclecticus die het moest hebben van goede inzichten, los van strakke theoretische kaders.

Bij dit alles was Van den Toorn een zeer beminnelijk mens die tot deze week geïnteresseerd bleef in het vak; ook in de jonge mensen die erin werkzaam waren.

Vijfentwintig jaar geleden schreef Van den Toorn een aardig autobiografisch essay voor Neerlandica extra muros.
Dit bericht verscheen, in iets andere vorm, ook op het weblog 
Neerlandistiek.